Bewijslast uiteindelijke gerechtigdheid bij inspecteur

Datum: 18 oktober 2019

X was een naar Japans recht door de 72 bij haar aangesloten Japanse pensioenfondsen opgericht fonds dat feitelijk was gevestigd in Japan. X was een "public interest corporation". X ontving portfoliodividenden van in Nederland gevestigde beursgenoteerde vennootschappen, waarop 15% dividendbelasting werd ingehouden. X was in Japan niet onderworpen aan een belastingheffing naar de winst en kon de dividendbelasting niet verrekenen. Ook werd in Japan voor de dividendbelasting geen tegemoetkoming aan X verleend. X vroeg de ingehouden dividendbelasting terug, maar de inspecteur weigerde dit. X ging in beroep. Hof Den Bosch besliste dat X niet aannemelijk had gemaakt dat zij de uiteindelijk gerechtigde was tot de dividenden waarop de teruggevraagde dividendbelasting betrekking had. X had volgens het Hof geen recht op teruggaaf. X ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat bij wijze van uitzondering op grond van de vierde volzin van artikel 10, lid 1, Wet DB geen teruggaaf werd verleend voor zover de dividendbelasting was ingehouden op opbrengsten met betrekking waartoe de verzoeker niet de uiteindelijk gerechtigde was. Gelet op het uitzonderingskarakter en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan, had de inspecteur volgens de Hoge Raad de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrachten dat de verzoeker niet de uiteindelijk gerechtigde was. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van X gegrond en verwees de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar Hof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad merkte hierbij op dat het verwijzingshof zo nodig alsnog moet ingaan op de vraag of de dividendbelasting waarop de teruggaafverzoeken zagen, ten laste van X was ingehouden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.