Gewicht van zaak voor PKV niet afhankelijk van gegrond bevonden grieven

Datum: 8 oktober 2019

X maakte bezwaar tegen vijf in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen. De gemeente vernietigde één van de WOZ-beschikkingen omdat die ten onrechte ten name van X was vastgesteld, en handhaafde de andere WOZ-beschikkingen. De gemeente kende een proceskostenvergoeding (PKV) toe van € 62,25 voor het indienen van het bezwaarschrift en hanteerde daarbij een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 0,25 (zeer licht). X ging in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat voor de toepassing van het BPB sprake was van één bezwaar, zodat voor de wegingsfactor van belang was de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak als geheel en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De door de gemeente gehanteerde differentiatie naar gegrond en ongegrond bevonden grieven was volgens de Rechtbank niet mogelijk. De beoordeling van het gewicht van de zaak was niet afhankelijk van de mate waarin grieven gegrond werden bevonden. Het bezwaar had, naast de onjuiste tenaamstelling, ook betrekking op de waardering in de vier andere WOZ-beschikkingen en in een van die waarderingen was een uitgebreide inhoudelijke motivering door de rechtsbijstandverlener geschreven. Volgens de Rechtbank was daarom sprake van een zaak van gemiddeld gewicht. X had voor de bezwaarfase recht op een PKV van € 254.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 18-10-2019