Artikel 43 IW-aansprakelijkstelling na intrekking eerdere beschikking intact

Datum: 9 september 2019

BV X maakte deel uit van een f.e. voor de BTW. Zij gaf op aangifte BTW aan maar voldeed die niet. De inspecteur legde naheffingsaanslagen BTW op met verzuimboeten. Tevens werden invorderingskosten in rekening gebracht. De f.e. betaalde de naheffingsaanslagen, de verzuimboeten en de kosten niet. De ontvanger stelde BV X bij beschikking op 18 maart 2015 aansprakelijk op grond van artikel 32, lid 2, IW voor de naheffingsaanslagen, boeten, invorderingskosten, invorderingsrente en heffingsrente. De aansprakelijkstelling bedroeg in totaal € 1.100.198. Na bezwaar van BV X trok de ontvanger op 25 november 2016 de beschikking in en stelde BV X op 11 december 2017 aansprakelijk op grond van artikel 43 IW. De aansprakelijkstelling bedroeg op dat moment in totaal € 1.478.378. De beschikking had deels betrekking op dezelfde naheffingsaanslagen als die waren begrepen in de eerdere beschikking. BV X ging in beroep. Op de zitting stelde BV X dat de belastingschulden inmiddels waren kwijtgescholden. Volgens BV X was er een kwijtscheldingsbeschikking die door de ontvanger tot op heden niet was ingetrokken. Rechtbank Den Haag besliste dat voor de groep van ondernemingen waartoe ook de onderdelen van de f.e. behoorden een kwijtscheldingsbeschikking was afgegeven waarin als voorwaarden twee betalingstermijnen stonden en dat niet binnen die betalingstermijnen was betaald. Daarmee was niet voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding. Verder was er nog een civiele procedure aanhangig bij Hof Den Haag over de vraag of er nog openstaande schulden waren van de (onderdelen van de) f.e. waarbij onder andere de juridische consequenties van het niet expliciet intrekken van de kwijtscheldingsbeschikking aan de orde waren. Volgens de Rechtbank stond – anders dan BV X stelde – niet vast dat de belastingschulden waarvoor zij aansprakelijk was gesteld, waren kwijtgescholden en dus niet langer zouden bestaan. De Rechtbank stelde vast dat geen sprake was van een dubbele aansprakelijkstelling omdat de eerdere beschikking al was ingetrokken voordat de onderhavige beschikking werd gegeven. De Rechtbank besliste vervolgens dat de verzuimboeten ook terecht aan BV X waren opgelegd en dat zij ook daarvoor terecht aansprakelijk was gesteld. De Rechtbank besliste dat BV X aansprakelijk was voor het op de zitting nog openstaande bedrag van € 1.044.445 en verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 20-09-2019