Navordering door compromis niet mogelijk buiten vijfjaarstermijn

Datum: 16 augustus 2019

Tot de nalatenschap van de in 2002 overleden Z behoorden alle aandelen in BV A met een waarde van ruim € 15,7 mln. BV A had een vordering van ruim € 11,4 mln op een deelneming. De inspecteur legde aan de erfgenamen (twee nichten) en twee zussen (X en Y) een gewone aanslag en een conserverende aanslag successierecht op. Alleen de vordering werd aangemerkt als beleggingsvermogen in plaats van ondernemingsvermogen. De zussen maakten bezwaar tegen beide aanslagen. Volgens hen gold de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) voor de hele verkrijging. In beroep bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant kwamen de zussen met de inspecteur een (deel)compromis overeen over de toerekening van posten aan enerzijds de (gewone) aanslag en anderzijds de conserverende aanslag. Over de resterende geschilpunten deed de Rechtbank uitspraak op 9 juni 2008. Hof Den Bosch bevestigde de uitspraak en de Hoge Raad deed de zaak af onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Naar aanleiding hiervan verminderde de inspecteur op 5 april 2011 de gewone aanslag. Tegelijkertijd verhoogde hij de conserverende aanslag met € 695.140 omdat uit de op de zitting van de Rechtbank gemaakte afspraak voortvloeide dat het door de zussen verkregen ondernemingsvermogen meer bedroeg dan waarvan de inspecteur was uitgegaan bij het opleggen van de conserverende aanslag. De zussen gingen in beroep tegen de verhoging van de conserverende aanslag. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde de beroepen gegrond en vernietigde de navorderingsaanslagen omdat deze waren opgelegd buiten de navorderingstermijn. De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Den Bosch verklaarde dat ongegrond. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat de inspecteur en gemachtigde hadden moeten weten dat de gewone aanslag en de conserverende aanslag onverbrekelijk met elkaar waren verbonden. De Hoge Raad verwees de zaken naar Hof Arnhem-Leeuwarden. Dat Hof stelde vast dat de gemachtigde van X en Y bij het maken van de afspraak op de hoogte was van een verband tussen de gewone aanslag en de conserverende aanslag. Dat betekende nog niet dat de afspraak zonder meer tot navordering kon leiden omdat de afspraak was afgemaakt na de wettelijke navorderingstermijn. Voor het kunnen opleggen van de navorderingsaanslag was dan enerzijds nog vereist dat de gemachtigde van X en Y met het maken van de afspraak geacht kon worden afstand te hebben gedaan van een beroep op termijnoverschrijding of op het ontbreken van een nieuw feit. Anderzijds was daarvoor nodig dat de inspecteur ten tijde van de afspraak deze ook zo had opgevat dat (de gemachtigde van) X en Y afstand had gedaan van een beroep op termijnoverschrijding of op het ontbreken van een nieuw feit. Het Hof besliste dat niet aannemelijk was dat de inspecteur ten tijde van de afspraak ervan uitging dat de belanghebbenden hun beroep op termijnoverschrijding hadden prijsgegeven. Die gedachte leek pas te hebben postgevat nadat de Rechtbank uitspraak had gedaan. Conversie van de aanslag had toen immers niet plaatsgevonden. Dit hield volgens het Hof ook in dat X en Y ten tijde van de afspraak hun beroep op termijnoverschrijding nog niet geacht konden worden te hebben prijsgegeven. Dat prijsgeven kon daarom niet als onderdeel van de afspraak ten grondslag liggen aan de pas jaren later door de inspecteur opgelegde conserverende navorderingsaanslag. Gevolg hiervan was dat de navorderingsaanslag een formeel juridische grondslag miste. De Rechtbank had daarom terecht de uitspraak op bezwaar en de conserverende navorderingsaanslag vernietigd. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 20-09-2019