Tijdelijk verhuurd deel eigen woning (onbelast) in box I, niet in box III

Datum: 14 augustus 2019

X en haar fiscale partner Y waren gezamenlijk (ieder voor 50%) eigenaar van een (als eigen woning kwalificerende) woning. Het echtpaar verhuurde de woning in 2017 zowel volledig als gedeeltelijk en behaalde daarmee EURO 7.001 huurinkomsten, waarvan EURO 1.723 betrekking had op de huur van de gehele woning en EURO 5.278 op de verhuur van een gedeelte van de woning. De inspecteur merkte de huurbate ter zake van de verhuur van een gedeelte van de woning als belaste voordelen aan op grond van artikel 3.113 Wet IB 2001. X ging in beroep en stelde dat dat artikel alleen zag op de tijdelijke verhuur van de gehele woning en niet op de verhuur van een gedeelte van de woning. Rechtbank Noord-Holland besliste (anders dan Hof Amsterdam in zijn uitspraak van 11 juli 2019) dat een tijdelijk verhuurd gedeelte van de eigen woning op basis van de wettekst en de wetsgeschiedenis tot de eigen woning (box I) moest worden gerekend. Dat een gedeelte van de eigen woning tijdelijk aan een derde ter beschikking werd gesteld, maakte niet dat deze ruimte tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen (box III) ging behoren. De Rechtbank besliste verder dat bij een tijdelijk ter beschikking stellen aan een derde van de gehele woning onverminderd het volledige bedrag met betrekking tot het eigenwoningforfait in box I in aanmerking moest worden genomen. Voor een tijdelijk ter beschikking stellen van een gedeelte van de eigen woning gold ook dat de woning het karakter van hoofdverblijf behield. Op basis van de rangorderegeling van artikel 2.14, lid 1, Wet IB 2001 vielen vermogensbestanddelen volgens de Rechtbank onder de eerst mogelijke bepaling in de wet. Zij vielen dan niet meer onder andere bepalingen van de wet, ook niet wanneer dat wel mogelijk zou kunnen zijn. De Rechtbank had begrip voor het standpunt van de inspecteur dat als artikel 3.113 Wet IB 2001 van toepassing was op de tijdelijke verhuur van de gehele woning (het meerdere), deze bepaling ook van toepassing zou moeten zijn op de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de woning (het mindere). De Rechtbank was het echter met Hof Amsterdam eens dat de parlementaire behandeling en de wetsgeschiedenis deze redenering tegensprak. De Rechtbank besliste dat de bewoordingen van artikel 3.113 Wet IB 2001 en de systematiek van de eigenwoningregeling in de Wet IB 2001 ertoe leidden dat inkomsten uit de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning niet belast konden worden op grond van artikel 3.113 Wet IB 2001. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.