Door gezamenlijk ondernemingsgewijs verhuren van ruimten geen box III

Datum: 14 augustus 2019

X en zijn broer Y dreven een onderneming in een maatschap die aanvankelijk bestond uit een landbouwbedrijf en een loonwerkbedrijf. In de loop van de tijd kwamen bedrijfsruimten (voormalige stallen) van het landbouwbedrijf leeg te staan die werden verbouwd tot opslagruimten en die vervolgens werden verhuurd aan derden. De activiteiten van de maatschap bestonden sindsdien uit het landbouwbedrijf, het loonwerkbedrijf én de verhuur van de opslagruimten. De opslagruimten waren aangemerkt als ondernemingsvermogen. X en Y hadden in 1994 een BV opgericht die een kalvermesterij dreef. De BV had de economische eigendom van grond en drie stallen. De juridische eigendom lag bij Y. De BV droeg de economische eigendom van de stallen en grond over aan X en Y. De BV was in 2014 geliquideerd. De grond en stallen waren na de overdracht geschikt gemaakt voor de verhuur aan derden en de stallen waren omgebouwd tot opslagruimte. Zowel de opslagruimten van de maatschap als de opslagruimte van de voormalige BV-panden werden voor de verhuur aangeboden via één website. X en Y gaven de voormalige BV-panden in de jaren 2011 tot en met 2013 aan als box III-vermogen. Na een boekenonderzoek legde de inspecteur navorderingsaanslagen IB op. Volgens hem waren de voormalige BV-panden verplicht ondernemingsvermogen. Verder stelde hij dat de verkoop van sloopmateriaal die X er op na hield geen winst uit onderneming was maar resultaat uit overige werkzaamheden. Op het beroep van X besliste Rechtbank Gelderland dat de voormalige BV-panden verplicht ondernemingsvermogen waren. De maatschap verhuurde ruimten die tot het ondernemingsvermogen behoorden en de verhuuropbrengsten waren een substantieel deel van de inkomsten van de maatschap. Tijdens het boekenonderzoek hadden X en Y verklaard dat zij met de voormalige BV-panden het bestaande aanbod van opslagruimte van de maatschap wilden vergroten. Volgens de Rechtbank was er geen sprake van een administratieve, financiële en organisatorische scheiding tussen de verhuur van de opslagruimte van de maatschap en de verhuur van de voormalige BV-panden. Er was niet bijgehouden welke huurder welke opslagruimte huurde en er was één gezamenlijke website. De Rechtbank besliste dat sprake was van een gezamenlijk ondernemingsgewijs aanbod van ruimten voor de verhuur, dat administratief, financieel en organisatorisch in elkaar overliep. De voormalige BV-panden moesten daarom, net als de opslagruimten van de maatschap, worden aangemerkt als ondernemingsvermogen. De Rechtbank verwierp de stelling van X dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikte. De inspecteur was pas gedurende het boekenonderzoek erachter gekomen dat het feitelijk gebruik van de BV-panden anders was dan de wijze waarop deze panden in de aangiften waren verwerkt. Tot slot besliste de Rechtbank dat de sloopinkomsten buiten de normale bedrijfsuitoefening van de maatschap vielen omdat de normale bedrijfsuitoefening van de maatschap bestond uit het landbouwbedrijf, loonwerkbedrijf én de verhuur van opslagruimte. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.