Transactieoverzicht B/CLO bewees voortbestaan KB-Luxrekening: Hofuitspraak herzien

Datum: 9 augustus 2019

X en zijn echtgenote waren in 1994 rekeninghouder geweest van een bankrekening bij de KB-Lux met een saldo van ongeveer € 30.000. Toen de inspecteur X vroeg om de bescheiden met betrekking tot de buitenlandse rekening(en) voor 2010 en 2011, antwoordde X dat het saldo in 1994 was teruggeboekt naar een Nederlandse bankrekening die was aangegeven. X wist niet welke bankrekening dat 19 jaar geleden precies was geweest. De inspecteur nam vervolgens een informatiebeschikking. X ging in bezwaar en overlegde een verklaring van de KB-Lux waarin stond dat de rekening meer dan tien jaar geleden was opgeheven en dat het cliëntendossier en de financiële gegevens van de rekening waren vernietigd. De inspecteur handhaafde de informatiebeschikking, maar Hof Arnhem-Leeuwarden besliste op 11 juli 2017 dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt X in 2010 en 2011 nog over een rekening bij de KB-Lux beschikte. X was ook niet gehouden tot het verstrekken van inlichtingen waarover hij niet beschikte en niet kon beschikken, omdat het Hof het aannemelijk vond dat X niet de beschikking had en ook niet de beschikking kon krijgen over de bij de KB-Lux gevraagde informatie. Het Hof vernietigde de informatiebeschikking. De staatssecretaris ging in cassatie, maar de Hoge Raad verklaarde dat zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 Wet RO). De Hoge Raad herstelde vervolgens de in dat arrest genomen beslissing over de proceskostenvergoeding. De inspecteur verzocht het Hof op 17 mei 2018 om herziening van de uitspraak van 11 juli 2017 en overlegde daarbij een van de Belastingdienst/Central Liaison Office (B/CLO) ontvangen transactieoverzicht van de KB-Lux-waaruit volgde dat: (a) de KB-Lux-rekening tot 2002 had bestaan, (b) vanaf deze rekening bedragen waren overgeboekt naar buitenlandse bankrekeningen van X, en (c) van de KB-Lux-rekening zeven keer een bedrag hoger dan € 10.000 in contanten was opgenomen. Hof Arnhem-Leeuwarden wees het herzieningsverzoek van de inspecteur toe, omdat de feiten en omstandigheden dusdanig afweken van waar het Hof van was uitgegaan, dat zij tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als het Hof hiermee bekend was geweest. Het Hof besliste vervolgens inhoudelijk dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat een aantal vragen van de informatiebeschikking niet of niet volledig was beantwoord. Het Hof verwierp de stelling van X dat de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur had gehandeld door voor het jaar 2010 gegevens op te vragen die ouder waren dan 7 jaar, omdat X de buitenlandse rekeningen niet in de administratie had opgenomen. Het Hof herzag zijn eerder gegeven beslissing en verklaarde het hoger beroep van X ongegrond en stelde hem een termijn van 6 weken om alsnog de gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.