Uitdeling voor DGA die zich niet hield aan VSO over aflossing aan BV

Datum: 9 augustus 2019

Directeur-grootaandeelhouder X sloot in 2005 een vaststellingsovereenkomst (VSO) met de inspecteur omdat de schuld aan zijn BV was opgelopen tot ruim € 2,2 mln en het bedrag niet meer was gedekt door de zekerheden die X had gesteld. X en de inspecteur spraken toen af dat het bedrag zou worden afgelost of door dividenduitkeringen zou worden verrekend. In de jaren 2008 tot en met 2012 was de schuld niet afgelost maar verder opgelopen van € 3,2 mln in 2008 tot uiteindelijk bijna € 4 mln in 2012. De inspecteur stelde in 2008 dat X zich niet aan de VSO had gehouden maar ging ermee akkoord dat X in drie jaar de schuld zou aflossen. X stemde daarmee in maar gaf in zijn aangifte IB over 2008 tot en met 2011 geen inkomen uit aanmerkelijk belang (a.b.) aan. De inspecteur legde over alle jaren navorderingsaanslagen IB op met vergrijpboeten van 50%. Rechtbank Gelderland verklaarde op 24 december 2015 de beroepen tegen de jaren 2008 en 2009 gegrond. X ging ook in beroep tegen de navorderingsaanslagen over 2010 en 2011 waarin een voordeel uit a.b. was belast van € 116.312 en een vergrijpboete van € 14.539 (2010) en een voordeel van € 196.391 en een vergrijpboete van € 49.098 (2011). Hij stelde dat de inspecteur op grond van de VSO de volledige uitdeling in 2008 had moeten belasten en zijn rechten had verspeeld door dat niet te doen. Rechtbank Gelderland stelde vast dat X en de inspecteur geen uitvoering meer hadden willen geven aan de VSO. Omdat de inspecteur op de zitting de boete over 2011 had verminderd naar € 24.548 (50%) was het beroep in zoverre gegrond. X ging in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden besliste – anders dan de Rechtbank – dat de VSO rechtsgeldig tot stand was gekomen, niet nietig was en dat partijen daaraan waren gebonden. Voor de beantwoording van de vraag wanneer de winstuitdeling op grond van de VSO was belast, verwees het Hof naar het Haviltex-arrest van 13 maart 1981. Volgens het Hof stond in de VSO alleen dat bij het niet-voldoen aan één van de onderdelen van de VSO alsnog een winstuitdeling zou worden belast, maar daarbij was geen belastingjaar genoemd. Uit de VSO bleek ook dat de inspecteur pas na de vijfjaarperiode een winstuitdeling zou kunnen stellen. De VSO stond er niet aan in de weg om vanaf 2008 (slechts) de jaarlijkse toename van de schuld als winstuitdeling bij X te belasten. De in 2010 en 2011 in aanmerking te nemen winstuitdelingen bedroegen volgens het Hof € 116.312 en € 196.391. Daarvan moest op grond van artikel 2.17, lid 3 Wet IB 2001 50% aan X worden toegerekend. Het Hof vernietigde de boeten over 2010 en 2011.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.