Cypriotische Ltd door stilzitten Belastingdienst en buiten vijfjaarstermijn navorderen, jarenlang onbelast

Datum: 22 juli 2019

De in Nederland wonende Y was enig aandeelhouder van NV A, die alle aandelen bezat in de naar het recht van Cyprus opgerichte X Ltd en twee in Nederland gevestigde BV’s (BV B en BV C). De enige activiteit van X Ltd bestond uit het houden van twee vorderingen: een vordering op BV B die was verkregen in 2007 en een vordering op de middellijk aandeelhouder Y. De vordering op BV B bedroeg op 1 oktober 2006 € 20.999.022,90. De rente op die vordering bedroeg 12% en werd jaarlijks bij de hoofdsom bijgeschreven. X Ltd bleef de koopsom van de vordering schuldig aan de verkoper BV C tegen een rente van 5% per jaar. Op 4 mei 2007 verstrekte NV A een lening aan Y van € 29.323.953,58 door overdracht van een effectenportefeuille met dezelfde waarde. De looptijd van de lening was 7 jaar en de rente bedroeg 5% per jaar. De vordering van NV A werd nog op dezelfde dag overgedragen aan X Ltd. X Ltd droeg haar vorderingen in 2012 over aan NV A. De vordering van X Ltd op Y bedroeg op dat moment € 36.244.151,60 en de waarde van de effectenportefeuille bedroeg toen € 19.597.422,58. X Ltd schold vóór de overdracht de vordering op Y voor € 16.646.729,02 kwijt. X Ltd deed over 2006 tot en met 2012 aangifte op Cyprus en betaalde daar belasting. In die jaren deed zij geen aangifte Vpb in Nederland. Na een vestigingsplaatsonderzoek in 2015 stelde de inspecteur dat X Ltd in Nederland was gevestigd. Hij legde navorderingsaanslagen Vpb op voor 2006 tot en met 2012 met vergrijpboeten. X Ltd ging in beroep. Rechtbank Den Haag vernietigde de navorderingsaanslagen 2010, 2011 en 2012 omdat de inspecteur al vanaf medio 2013 over zodanige informatie beschikte dat een behoorlijke taakvervulling hem er redelijkerwijs toe had moeten brengen een nader onderzoek naar de vestigingsplaats van X Ltd in te stellen. In antwoord op een e-mail van 6 juni 2013 van de Belastingdienst was X Ltd uitgebreid ingegaan op de feitelijke leiding/vestigingsplaats en waren de jaarstukken 2007 tot en met 2011 bijgevoegd plus de overeenkomst tot overdracht van de vordering van NV A op Y aan X Ltd. Door daarna stil te zitten en pas in 2015 een vestigingsplaatsonderzoek te houden, had de inspecteur volgens de Rechtbank een ambtelijk verzuim begaan. De Rechtbank vernietigde de navorderingsaanslagen 2010, 2011 en 2012. Voor de jaren 2006 tot en met 2009 had de inspecteur wel een nieuw feit, maar de Rechtbank vernietigde ook deze navorderingsaanslagen omdat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR niet aan de orde was. Volgens de Rechtbank was de verlengde navorderingstermijn niet bedoeld voor gevallen waarin er niets buiten het zicht van de fiscus was gehouden, zoals in dit geval. Verder was de Belastingdienst volgens de Rechtbank ook niet beperkt in zijn controlemogelijkheden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.