Ruitersportcoöperatie bewees voorbereidende ondernemingshandelingen niet: geen aftrek van BTW

Datum: 10 juli 2019

De in 2015 opgerichte coöperatie X hield zich bezig met het adviseren, begeleiden en organiseren van (internationale) (ruiter)sportevenementen, het huren en/of aankopen van accommodaties van ruitersportevenementen en het opleiden en trainen van deelnemers aan de (ruiter)sport. Mevrouw B was bestuurder van X, en haar echtgenoot (C), en dochter (F) waren naast D en E leden van X. X diende over het laatste kwartaal van 2015 en alle kwartalen van 2016 BTW-aangiften in waaruit terug te ontvangen bedragen volgden. De inspecteur legde na een boekenonderzoek naheffingsaanslagen BTW op over de betreffende periode van € 6.071 en € 9.763 en stelde drie teruggaafbeschikkingen vast op nihil. X ging in beroep en stelde dat zij ondernemer was en daarom recht had op aftrek van voorbelasting. Haar belangrijkste activiteit was volgens X het houden en fokken en op termijn verkopen van paarden. Rechtbank Gelderland besliste echter dat X niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van ondernemerschap in de vorm van voorbereidende ondernemershandelingen. Er waren volgens de Rechtbank geen objectieve gegevens voorhanden die de verklaring van X over de inbreng van de paarden, de eigendom van de paarden en de winstverdeling ondersteunden. Ook waren er geen schriftelijke overeenkomsten tussen X en haar leden. X was dusdanig verweven met haar leden dat het vermoeden gerechtvaardigd was dat de activiteiten en de handelwijze van X uitsluitend haar leden in privé dienden. X had dit vermoeden volgens de Rechtbank niet weerlegd. Ook kon uit een factuur met betrekking tot de verkoop van een paard in januari 2017 niet worden opgemaakt of sprake was van een door de leden in X ingebracht paard. Dat paard was al in 2011 geboren en was daarom geen door X opgefokt paard. Verder kwam het verkoopbedrag op de factuur niet overeen met het bedrag dat een dag eerder op de bankrekening van X was gestort. De factuur kon daarom niet worden aangemerkt als een objectief gegeven dat het voornemen van X onderbouwde. X had geen recht had op aftrek van voorbelasting. De Rechtbank verklaarde de beroepen van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.