BTW-verleggingsregeling niet mogelijk bij ontbreken identiteit afnemer

Datum: 9 juli 2019

In april 2010 meldde Y zich bij metaalhandel BV X voor de aankoop van non-ferro metalen. Y woonde in Duitsland, maar identificeerde zich verder niet. Er werd vervolgens in april, mei en juni 2010 aan personen geleverd die de metalen in opdracht van Y afhaalden. De leveringen werden contant afgerekend en er werden geen afhaalverklaringen opgemaakt. Bij de eerste levering kreeg BV X een brief overhandigd van het Finanzamt Reutlingen met gegevens van Y, waaronder een identificatienummer. Dit nummer bleek echter geen geldig BTW-identificatienummer te zijn. Ook na daar verschillende keren om te hebben gevraagd, ontving BV X geen geldig BTW-identificatienummer van de afnemer. BV X vermeldde op de facturen van de leveringen dat de BTW was verlegd. De inspecteur legde na een boekenonderzoek een naheffingsaanslag BTW op van € 92.257 omdat leveringen hadden plaatsgevonden zonder geldig BTW-identificatienummer en zonder dat de identiteit van de afnemer bekend was. Rechtbank Zeeland-West-Brabant handhaafde de naheffingsaanslag. Afgezien van de algemene factuureisen, verzette de ratio van de verleggingsregeling zich tegen toepassing ervan als de identiteit van de afnemer niet vaststond. Een zinnige toepassing van de verleggingsregeling, gelet op het rechtsgevolg daarvan (verlegging heffing van presterende ondernemer naar afnemer) en het anti-misbruikdoel, vereiste dat de identiteit van de afnemer bekend was. Daaraan deed niet af dat de wettelijke factuurvereisten niet letterlijk waren opgenomen in de verleggingsregeling van artikel 12, lid 5, Wet OB en artikel 24bb UVBT OB. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 18-10-2019