Bestuurders aansprakelijk voor LB-schulden uitzendbureau

Datum: 9 juli 2019

X en Y waren vanaf 2 mei 2011 bestuurders van uitzendbureau BV A. De uitzendkrachten werkten hoofdzakelijk in de infrastructuur en bij metaalbedrijven. De inspecteur legde naar aanleiding van een boekenonderzoek naheffingsaanslagen LB aan BV A op over 2011 tot en met 2013 van respectievelijk € 1.060.098, € 1.204.977 en € 897.762 met een vergrijpboete over 2013 van € 442.580. BV A betaalde de naheffingsaanslagen LB, de vergrijpboete en de heffings- en belastingrente niet. Op 31 mei 2013 meldde zij bij de ontvanger dat zij de verschuldigde LB niet kon voldoen. De ontvanger stelde X en Y vervolgens aansprakelijk vanwege onbehoorlijk bestuur. Ook stelde de FIOD een strafrechtelijk onderzoek in tegen X, Y en BV A. X en Y gingen in beroep tegen de aansprakelijkstelling en stelden dat het verdedigingsbeginsel was geschonden omdat zij niet voorafgaand aan het vaststellen van de beschikkingen waren gehoord. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde voorop dat in artikel 1, lid 2, IW was bepaald dat titel 4.1 Awb, niet van toepassing was op de IW, zodat de verplichting tot het geven van gelegenheid aan belanghebbende voor het naar voren brengen van zijn zienswijze bij aansprakelijkstellingen op grond van de IW expliciet was uitgesloten. De Rechtbank verwierp de stelling van X en Y dat het zorgvuldigheids-, het evenredigheids- en het fair-playbeginsel de toepassing van artikel 1, lid 2, IW verhinderden, omdat toetsing van de formele wet aan algemene rechtsbeginselen in strijd was met het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet. De Rechtbank besliste vervolgens dat BV A had geprobeerd om de verschuldigde LB te verminderen door onder meer het opvoeren van niet-afgesproken of ongefundeerde kostenvergoedingen. Hierdoor waren structureel loonheffingsverplichtingen niet nagekomen en waren de loonkosten op deze manier kunstmatig laag gehouden. X en Y hadden zo een betere economische positie op de markt en/of het bovenmatig belonen van zichzelf en/of het overige personeel kunnen bewerkstelligen. X en Y moesten volgens de Rechtbank hebben geweten dat als de Belastingdienst de administratie zou controleren, ze de na te heffen LB nooit zouden kunnen betalen. Het op kunstmatige wijze laag houden van loonkosten ten koste van de fiscus en daarmee in wezen de bedrijfsvoering op rekening van de fiscus, was volgens de Rechtbank kennelijk onbehoorlijk bestuur. De ontvanger had aannemelijk gemaakt dat het niet-betalen van de belastingschulden het gevolg was van aan ieder van X en Y te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie jaar voorafgaand aan het tijdstip van de melding De Rechtbank besliste dat X en Y terecht aansprakelijk waren gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen LB. De Rechtbank verminderde een aantal correcties en daarmee ook de aansprakelijkstelling voor 2011 en 2012 tot € 2.195.319 per persoon en voor 2013 tot € 889.245. De Rechtbank verminderde tot slot de aansprakelijkstelling met betrekking tot de opgelegde vergrijpboeten tot € 392.509 per persoon. De Rechtbank verklaarde de beroepen van X en Y gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 18-10-2019