EU-Hof nuanceert Mark & spencer-arrest grensoverschrijdende verliesverrekening

Datum: 20 juni 2019

Memira was de moedermaatschappij van een groep naar Zweeds recht die via haar dochterondernemingen in verschillende landen activiteiten verrichtte op het gebied van oogheelkunde. Zij had in Duitsland één dochteronderneming. Doordat deze dochter verliezen leed, werden die activiteiten stopgezet. Memira wilde de Duitse dochter door middel van een grensoverschrijdende fusie overnemen waardoor de dochter zonder vereffening kon worden ontbonden. Daarna oefende Memira in Duitsland geen activiteiten meer uit. De verliezen van de Duitse dochter die niet kon worden verrekend met vroegere winsten bedroegen € 7,6 mln. Memira vroeg de Zweedse Belastingdienst of de vennootschap na de fusie de verliezen van de Duitse dochteronderneming mocht aftrekken, maar de Zweedse inspecteur vond dat dat niet kon omdat niet was voldaan aan de voorwaarde dat de dochteronderneming in Zweden belastingplichtig was. Die kwestie speelde ook bij Holmen. Holmen was de moedermaatschappij van een groep naar Zweeds recht met dochterondernemingen in verschillende landen. In Spanje bezat zij via een dochteronderneming verschillende kleindochterondernemingen die actief waren op het gebied van papier en drukwerk. Samen vormden zij een fiscale eenheid. Omdat een van de kleindochterondernemingen sinds 2003 verliezen leed voor € 140 mln, besloot Holmen haar Spaanse activiteiten stop te zetten. Zij vroeg de Zweeds Belastingdienst om voor deze verliezen een groepsaftrek toe te passen in Zweden omdat deze verliezen anders noch in Spanje noch in Zweden aftrekbaar zouden zijn. Het Zweedse Skatterättsnämnd wendde zich in de beide zaken met prejudiciële vragen tot het EU-Hof van Justitie. Het EU-Hof wees op het arrest Marks & Spencer waarin hij in punt 55, tweede streepje, waarin hij met betrekking tot de niet-aftrekbaarheid van toekomstige verliezen van de buitenlandse dochteronderneming in haar vestigingsstaat had beslist dat er rekening mee moest worden gehouden dat die verliezen in toekomstige belastingjaren door een derde in aanmerking werden genomen, vooral ingeval de dochteronderneming aan die derde was verkocht. De uit de wettelijke regeling van de lidstaat van de dochteronderneming voortvloeiende beperkingen van verliesoverdracht waren volgens het EU-Hof niet doorslaggevend zolang door de moedermaatschappij niet was aangetoond dat de verliezen niet door een derde (vooral na een verkoop waarbij de prijs met de fiscale waarde van de verliezen rekening hield) in aanmerking konden worden genomen. Als dat bewijs werd geleverd en voor het overige was voldaan aan de andere in punt 55 van het Marks & Spencer-arrest opgenomen voorwaarden, moesten de belastingautoriteiten de verliezen van een niet-ingezeten dochteronderneming als definitief beschouwen. In dat geval is het volgens het EU-Hof niet evenredig om de moedermaatschappij te weigeren die verliezen met haar winsten te verrekenen. Bij de beoordeling van het definitieve karakter van verliezen was het niet relevant of in de vestigingsstaat van de verliesgevende dochteronderneming al dan niet andere entiteiten waren waaraan de verliezen van de dochteronderneming hadden kunnen worden overgedragen via een fusie.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 20-09-2019