Fiscaal adviseur schadeplichtig door gebrekkige advisering cliënt met HIR

Datum: 18 juni 2019

Belastingadviseur X werd door cliënt A ingeschakeld in verband met een in 2005 gevormde herinvesteringsreserve (HIR) van € 404.680. A spande daarna een civiele procedure tegen X aan omdat hij vond dat X hem met betrekking tot de HIR een te rooskleurige voorstelling van zaken had gegeven, terwijl uit een brief van de inspecteur van de Belastingdienst bleek dat de kans van slagen nihil of minimaal was. Als A op de hoogte was geweest van de werkelijke stand van zaken, had hij geen opdracht aan X verstrekt, mede gelet op de daaraan verbonden hoge kosten. De civiele kamer van Hof Amsterdam wees de vordering van A tot (terug)betaling van facturen van ruim € 40.000 toe. Het Hof stelde voorop dat een fiscaal adviseur als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid moest betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mocht worden verwacht. Wanneer een fiscaal adviseur een cliënt adviseerde in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, bracht deze zorgvuldigheidsplicht mee dat de fiscaal adviseur de cliënt in staat stelde goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een fiscaal adviseur de cliënt daarbij moest informeren over en moest waarschuwen voor een bepaald risico, was afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Toen A zich tot X wendde, had de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat er in de periode 2005-2008 geen investeringen waren gedaan die ten laste van de HIR konden worden gebracht. Volgens het Hof had X in verband met zijn zorgvuldigheidsplicht A kort daarna moeten inlichten en een enige schatting moeten geven van de kosten die gemoeid zouden zijn met het alsnog opstellen of herzien van de jaarrekeningen en het opstellen van de aangiften. Daarnaast had hij enige indicatie moeten geven van de kans dat de op te dragen werkzaamheden ertoe zouden leiden dat alsnog ten genoegen van de Belastingdienst zou kunnen worden aangetoond dat in de periode 2005-2008 investeringen waren gedaan die ten laste van de HIR konden worden gebracht. Als hij onvoldoende informatie had om dat te kunnen inschatten, had hij A daarvoor duidelijk moeten waarschuwen. X had volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat hij aan deze mededelingsplicht had voldaan.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-09-2020