Lager rendement buitenlands fonds geen reden voor herziening Hofuitspraak

Datum: 11 juni 2019

X meldde in september 2009 aan de inspecteur dat zij over buitenlands vermogen beschikte dat zij niet eerder had aangegeven. In augustus 2010 volgden de navorderingsaanslagen over de jaren 1997 tot en met 2005. X ging in beroep, maar Hof Den Bosch stelde haar in een uitspraak van 7 maart 2014 in het ongelijk. X ging in cassatie. De Hoge Raad verklaarde dat cassatie beroep versneld niet-ontvankelijk (art. 80a Wet RO). X verzocht vervolgens om herziening van de uitspraak van 7 maart 2014 van het Hof. Zij stelde dat de twee in geschil zijnde fondsen rentefondsen waren en dat de inspecteur ten onrechte was uitgegaan van een rendement van 6% terwijl het rendement maar 3% was. Dit feit had zij in april/mei 2017 en dus na de Hofuitspraak van een voormalig accountmanager van de buitenlandse bank vernomen. Het Hof wees het verzoek om voorziening af omdat het rendement redelijkerwijs bekend kon zijn vóór de uitspraak van het Hof van 7 maart 2014. X had voorafgaand aan het opleggen van de navorderingsaanslagen informatie opgevraagd bij de diverse buitenlandse banken. Dat wellicht toen niet de correcte of volledige informatie was verstrekt, nam niet weg dat vóór de uitspraak van het Hof de juiste informatie over de twee fondsen redelijkerwijs bekend kon zijn. Daar kwam bij dat uit de stukken niet was af te leiden dat de twee fondsen daadwerkelijk rentefondsen waren. Zelfs als het rentefondsen waren, lag het voor de hand dat X destijds een verzoek had kunnen doen voor een lager rendementspercentage. Dat had zij niet gedaan. Er was volgens het Hof geen sprake van feiten en omstandigheden die, als ze eerder bekend waren geweest, tot een andere uitspraak van het Hof zouden hebben kunnen leiden. Het Hof wees het verzoek om herziening af.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.