BTW-herziening voor opfokken kalveren en melkkoeien

Datum: 7 juni 2019

BV X exploiteerde een melkveehouderij en hield zich onder meer bezig met het opfokken van kalveren (jongvee) tot melkproducerende koeien. Het binnen het eigen bedrijf voortgebrachte vrouwelijk jongvee werd opgefokt tot melkproducerende koeien. Een vaars werd een melkkoe nadat zij voor het eerst had gekalfd. Het duurde ongeveer 24 maanden om een kalf op te fokken tot melkkoe. In die periode werden daarvoor opfokkosten gemaakt, bestaande uit voer en overige kosten, zoals huisvesting, dierenartskosten, strooisel, water en elektriciteit. BV X opteerde met ingang van 1 juli 2013 voor het niet meer toepassen van de BTW-landbouwregeling en deed vanaf dat moment aangifte BTW. Zij verzocht om een aanvullende teruggaaf van BTW in verband met de herziening van BTW voor wat betreft het binnen het eigen bedrijf voortgebrachte jongvee en de in eigen bedrijf voortgebrachte melkkoeien. Het betrof een herziening van de BTW op ingekochte leveringen en diensten die deel uitmaakten van de opfokkosten. De inspecteur weigerde de aanvullende teruggaaf. BV X ging in beroep. Hof Den Bosch besliste dat de voor het jongvee ingekochte prestaties werden verbruikt op het moment dat deze aan het jongvee werden toegediend, zodat geen plaats was voor een correctie op grond van artikel 15, lid 4, Wet OB. Ten aanzien van de melkkoeien besliste het Hof dat de opfokkosten geen goederen waren waarop voor de IB of Vpb kon worden afgeschreven. Ook de aftrek van voorbelasting op deze prestaties kwam niet voor herziening in aanmerking. BV X ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat het opfokken van kalveren tot melkkoe moest worden aangemerkt als het binnen de onderneming van dat melkveebedrijf ontwikkelen van een bedrijfsmiddel, en dat het dier daarom had te gelden als een roerende zaak waarop voor de IB en de Vpb kon worden afgeschreven. Het opfokken van kalveren tot melkkoe was niet aan te merken als het in goede staat houden van de kalveren. Dit bracht mee dat de BTW die aan de ondernemer in rekening was gebracht ter zake van de goederen en de diensten die hij had gebruikt voor het ontwikkelen van kalveren tot melkkoe, in aanmerking kwam voor een correctie op de voet van artikel 15, lid 4, Wet OB, in samenhang met artikel 12, lid 2, UVBG OB. De beslissing van het Hof dat BV X de voor het opfokken betrokken goederen en diensten had verbruikt op het moment waarop zij deze had betrokken -en daarom geen correctie op grond van artikel 15, lid 4, Wet OB, kon plaatsvinden, was onjuist. De Hoge Raad besliste verder dat BV X de door haar betrokken goederen en diensten voor het opfokken van kalveren die voorafgaand aan 1 juli 2013 als melkkoe in gebruik waren genomen, in de zin van artikel 15, lid 4, tweede volzin, Wet OB, pas was gaan gebruiken op het tijdstip waarop deze dieren melkkoe werden. Op dat tijdstip gold voor BV X de landbouwregeling nog, zodat zij op dat tijdstip niet op de voet van artikel 15, lid 4, tweede volzin, Wet OB, aanspraak kon maken op aftrek van BTW die haar ter zake van de opfokkosten in rekening was gebracht. De BTW ter zake van de opfokkosten vormde echter, na het tijdstip waarop BV X de koeien als melkkoe was gaan gebruiken, BTW met betrekking tot roerende zaken (de melkkoeien) waarop voor de IB of de Vpb kon worden afgeschreven. De aftrek van deze BTW moest daarom worden herzien op grond van artikel 15, lid 6, Wet OB, in samenhang met artikel 12, lid 3, artikel 13, lid 3 en artikel 14a (oud) UVBG OB. De Hoge Raad besliste dat met betrekking tot zowel de kalveren als de melkkoeien de aftrek van BTW moest worden herzien en verklaarde het cassatieberoep van BV X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.