Liquidatieverlies aftrekbaar: band met concern verbroken

Datum: 7 juni 2019

NV X was via haar deelneming B actief op de Indonesische verzekeringsmarkt. B bezat een belang van 7% in de Indonesische vennootschap C. In juli 2000 kocht B 5% van de aandelen in D. De overige aandelen in D werden gehouden door de Amerikaanse verzekeringsgroep E. In 2001 droeg C een deel van haar activiteiten over aan D en in de loop van 2002 droeg ook B een deel van haar activiteiten over aan D. Begin 2003 verkocht E haar aandelen in D op één na aan NV F, een dochter-NV van NV X. Eind 2003 werden de aandelen in D verkocht aan H, een niet-gelieerde partij. Op 1 juni 2004 startte het liquidatietraject van B en in 2010 werd B uiteindelijk geliquideerd. In verband daarmee claimde NV X in haar aangifte Vpb 2010 aftrek van een liquidatieverlies van € 10,8 mln. De inspecteur weigerde de aftrek omdat de vroegere onderneming van B werd voortgezet door een met NV X verbonden lichaam. NV X ging in beroep en stelde dat de aandelen in D ten tijde van de ontbinding en vereffening van B werden gehouden door het niet-verbonden lichaam H. Rechtbank Noord-Holland stelde de inspecteur in het gelijk, waarna NV X sprongcassatie instelde. De Hoge Raad besliste dat de wetgever in geval van voortzetting van (een deel van) de onderneming binnen het concern de aftrek van het liquidatieverlies niet wilde uitsluiten, maar had beoogd deze aftrek uit te stellen tot het latere moment waarop de gehele onderneming zou zijn gestaakt of door een derde zou worden voortgezet. Dit betekende volgens de Hoge Raad dat de vraag of was voldaan aan de niet-voortzettingseis moest worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden op het tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam was voltooid. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van NV X gegrond en deed de zaak zelf af. Het liquidatieverlies van € 10,8 mln was aftrekbaar.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.