Samentelregeling verhinderde vast bedrag KIA voor maat niet

Datum: 24 mei 2019

Dierenarts X participeerde met vijf andere maten in maatschap D. D investeerde in 2013 voor € 40.517 in bedrijfsmiddelen waarvoor recht bestond op kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Daarnaast investeerde X in 2013 zelf voor € 56.515 in een tot het buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen behorende personenauto waarvoor ook recht bestond op KIA. In zijn aangifte IB 2013 berekende X de KIA op € 15.470, maar volgens de inspecteur bedroeg de KIA van X 15,94% van € 63.268, en dus € 10.085. Het totaal van de investeringen door D en X bedroeg € 97.032 en daarvoor gold op grond van artikel 3.41, lid 2, Wet IB 2001 een KIA van € 15.470. De KIA bedroeg 15,94% van de totale investeringen en van de totale investeringen viel € 63.268, namelijk € 56.515 en 1/6e deel van € 40.517, toe te rekenen aan X. X ging in beroep. Hof Den Bosch besliste dat de wet, noch de parlementaire geschiedenis een aangepaste rekenregel bevatte voor een geval als dat van X waarbij het totaalbedrag van de investeringen door het samenwerkingsverband en de buitenvennootschappelijke investeringen van een lid van dat samenwerkingsverband binnen de betreffende bandbreedte vielen. De door de inspecteur gehanteerde rekenregel vond volgens het Hof geen steun in de wettekst en was ook niet in overeenstemming met doel en strekking van artikel 3.41, lid 3, Wet IB 2001. De door X gebruikte rekenregel sloot volgens het Hof echter wél aan bij de tekst van artikel 3.41 Wet IB 2001, zodat aan X een KIA toekwam van € 15.470. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat de samentelling van artikel 3.41, lid 3, Wet IB 2001 in dit geval meebracht dat de toepasselijke rij uit de KIA-tabel moest worden bepaald door samentelling van de investeringen van het samenwerkingsverband en de buitenvennootschappelijke investeringen van de betreffende belastingplichtige. Daarmee kwam het investeringsbedrag op (€ 40.517 plus € 56.515=) € 97.032 en gold het vaste bedrag van € 15.470 van de derde rij van de KIA-tabel. Als een lid van een samenwerkingsverband buitenvennootschappelijke investeringen deed tot een bedrag dat op zichzelf recht zou geven op het in de derde rij van de KIA-tabel genoemde vaste bedrag (2013: € 15.470), kon die KIA volgens de Hoge Raad worden beïnvloed door de samentelling met het bedrag van de door het samenwerkingsverband gedane investeringen. Die samentelling bracht volgens de Hoge Raad echter niet mee dat aan het betreffende lid niet het vaste bedrag kon toekomen. De opvatting van de staatssecretaris dat de leden van het samenwerkingsverband samen niet aanspraak konden maken op een hogere KIA dan het geval zou zijn geweest wanneer geen buitenvennootschappelijke investeringen zouden zijn gedaan of wanneer alle investeringen door één ondernemer zouden zijn gedaan, ging er aan voorbij dat het derde lid alleen een samentelling voorschreef met het oog op de bepaling van de voor de leden van het samenwerkingsverband toepasselijke rij van de KIA-tabel. In dit geval, waarin zowel het investeringsbedrag binnen de onderneming van X, als het bedrag van de op grond van artikel 3.41, lid 3, Wet IB 2001 samengetelde investeringen binnen de bandbreedte van de derde rij van de KIA-tabel vielen, noopte noch de wettekst noch de bedoeling van de wetgever zoals deze bleek uit de wetsgeschiedenis tot een andere lezing dan dat de belastingplichtige recht had op een KIA van € 15.470. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 20-09-2019