Via kort geding geen inzage in stukken tripartiete overleg en strafdossier

Datum: 13 mei 2019

Mevrouw X had een bankrekening bij Credit Suisse. Zij had aan de Belastingdienst diverse stukken overgelegd waaruit bleek dat er in elk geval in 2012 ruim € 1 mln op de rekening stond. De inspecteur vond dat X onvoldoende had onderbouwd wat de herkomst van het vermogen was. Hij legde over 2004 tot en met 2011 navorderingsaanslagen ter behoud van rechten op en nam begin 2019 een informatiebeschikking. X ging in bezwaar. Hangende het bezwaar spande zij een kort geding aan tegen de inspecteur. Zij wilde inzage in alle op de zaak betrekking hebbende stukken inclusief de stukken uit het tripartiete overleg en de interne correspondentie. De voorzieningenrechter van Rechtbank Gelderland besliste eerst dat was voldaan aan het formele connexiteitsvereiste omdat sprake was van lopende bezwaarprocedures. Er was ook sprake van materiële connexiteit omdat het verzoek verband hield met de wijze waarop de inhoud van de uitspraak op bezwaar tot stand kwam en dus mogelijk met de rechtsgevolgen die daarmee in het leven werden geroepen. Vervolgens besliste de voorzieningenrechter dat sprake was van een spoedeisend belang omdat het van fundamenteel belang was dat de belastingplichtige kennis kon nemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken voordat de inspecteur uitspraak op bezwaar deed. Dat was alleen anders voor zover de inspecteur gegronde redenen had om inzage van bepaalde stukken achterwege te laten of er heel veel tijd was verstreken tussen het moment van bezwaar maken tegen de navorderingsaanslagen en het moment waarop de voorlopige voorziening was gevraagd. Dat was volgens de rechter niet het geval. Vervolgens besliste de voorzieningenrechter dat een eventueel uit te spreken verplichting tot het geven van inzage in stukken verstrekkende gevolgen had, omdat een eenmaal verleende inzage niet was terug te draaien. Hierin zag de voorzieningenrechter aanleiding om te beslissen dat de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van een beroep op geheimhouding in deze fase van de procedure in beginsel was voorbehouden aan de inspecteur. Deze beslissing kon in de beroepsfase alsnog worden getoetst. De voorzieningenrechter moest zich in deze fase terughoudend opstellen en het verzoek tot inzage afwijzen, tenzij er geen redelijke kans was dat een beroep op geheimhouding uiteindelijk zou slagen, bijvoorbeeld omdat geen van de belangen die waren genoemd in de WOB een rol speelde. De voorzieningenrechter besliste vervolgens dat de interne mails op de zaak betrekking hebbende stukken waren, die de inspecteur geheim mocht houden omdat inzage hierin de autonome bevoegdheid van inspecteur van de bezwaarprocedure in vergaande mate zou doorkruisen. Dat gold ook voor afstemmingsstukken tussen inspecteur en de FIOD en eventuele draaiboeken. De voorzieningenrechter wees ook de inzage in de parapluaanpak buitenlands vermogen af, omdat deze al in een geanonimiseerde versie bij brief van 16 oktober 2018 was verstrekt. Met betrekking tot de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek, inclusief het zogenoemde preweegdocument, besliste de voorzieningenrechter dat dit geen zaakstuk was omdat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat hij hiervan niet op enige wijze kennis had genomen en de stukken hem niet ter beschikking hadden gestaan.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.