Premiedeel heffingskorting tijdsevenredig berekend

Datum: 12 april 2019

De Poolse mevrouw Zyla werkte van 1 januari tot en met 21 juni 2013 in dienstbetrekking in Nederland en ging daarna terug naar Polen, waar zij de rest van 2013 geen betaalde arbeid verrichtte. Bij de aanslagregeling IB 2013 ging de inspecteur ervan uit dat mevrouw Zyla in die periode premieplichtig was voor de volksverzekeringen in Nederland. Op grond van artikel 2.6a Wfsv herrekende de inspecteur het premiedeel van de algemene heffingskorting tijdsevenredig. Mevrouw Zyla ging in beroep en stelde dat het per 1 januari 2013 ingevoerde artikel 2.6a Regeling Wfsv in strijd was met het vrije verkeer van werknemers. Hof Den Bosch was het daar niet mee eens. Op het beroep in cassatie van mevrouw Zyla besloot de Hoge Raad een prejudiciële vraag aan het EU-Hof van Justitie te stellen. Het EU-Hof besliste dat de tijdsevenredige berekening van het premiedeel van de algemene heffingskorting niet in strijd was met het vrije verkeer van werknemers. De Hoge Raad heeft nu eindarrest gewezen en beslist dat uit het EU-Hof volgde dat mevrouw Zyla alleen aanspraak had op een gedeelte van het premiedeel van de algemene heffingskorting dat was bepaald in tijdsevenredigheid naar de periode van verzekering in Nederland. De Hoge Raad verwierp de stelling van mevrouw Zyla dat de algemene heffingskorting aan haar moest worden toegekend zonder toepassing van de tijdsevenredige vermindering van het premiedeel van die heffingskorting. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van mevrouw Zyla ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.