Bestuursaansprakelijkheid bij naderende bedrijfsbeëindiging ruimer

Datum: 12 april 2019

Bestuurder X was sinds 5 februari 2001 middellijk medeaandeelhouder en indirect bestuurder van BV B. BV B verzorgde transporten voor BV H. In juni 2008 zegde BV H het contract met BV B op en kwam BV B in zwaar weer terecht. In september 2008 zegde de bank de financiering van BV B op. Vanaf begin september 2008 tot 9 december 2008 werden alle activa van BV B verkocht. BV B gaf over september en oktober 2008 wel loonheffing en BTW aan maar droeg die bedragen niet af en voldeed die niet. Op 31 oktober 2008 meldde BV B de ontvanger tijdig haar betalingsonmacht. Op 9 december 2008 werd BV B failliet verklaard. De ontvanger stelde X hoofdelijk aansprakelijk voor de naheffingsaanslagen die BV B onbetaald had gelaten. Hof Arnhem-Leeuwarden besliste dat de ontvanger X terecht aansprakelijk had gesteld voor de door BV B onbetaald gelaten belasting over de maanden september 2008 tot en met november 2008, omdat de voor de voortzetting van de bedrijfsvoering essentiële relaties (de dwangcrediteuren, zoals de bank, de werknemers, de brandstofleverancier en de ingehuurde transporteurs) van 31 juli 2008 tot 9 december 2008 met voorrang waren betaald boven de betaling van uit die voortzetting voortvloeiende belastingschulden. X ging in cassatie en stelde dat het Hof ten onrechte had beslist dat hem persoonlijk een ernstig verwijt kon worden gemaakt. De Hoge Raad besliste dat (een bestuurder van) een BV in beginsel vrij was om op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de BV in de gegeven omstandigheden werden voldaan. Deze vrijheid was volgens de Hoge Raad in elk geval beperkter als de BV had besloten haar activiteiten te beëindigen en niet over voldoende middelen beschikte om al haar schuldeisers te voldoen. In die situatie stond het (de bestuurder van) de BV in beginsel niet vrij gelieerde schuldeisers met voorrang boven andere schuldeisers – onder wie de ontvanger – te voldoen. Dit gold ook bij de voldoening van niet-gelieerde schuldeisers als de bestuurder bij die betaling een persoonlijk belang had. Als een bestuurder in deze gevallen toch zo’n betaling deed en er geen sprake was van bijzondere omstandigheden, dan kon zijn handelwijze volgens de Hoge Raad al worden aangemerkt als kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 36, lid 3, IW als hij er ernstig rekening mee had moeten houden dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat belastingschulden van de BV onbetaald zouden blijven. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie gegrond en verwees de zaak naar Hof Den Haag voor een nader onderzoek naar de vraag of X kennelijk onbehoorlijk bestuur kon worden verweten met betrekking tot het onbetaald laten van de belastingschulden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.