Onverschuldigde terugbetaling LB was terug te vorderen; geen naheffing

Datum: 14 maart 2019

In eerste instantie deed BV X voor september 2009 aangifte LB naar een te betalen bedrag van € 20.447, maar voldeed dit bedrag niet. In een tweede aangifte van 8 oktober 2009 gaf zij vervolgens een bedrag van nihil aan, maar in een derde aangifte over september 2009 op 13 oktober 2009 vermeldde BV X alsnog een te betalen bedrag van € 20.085. Dit laatste bedrag maakte BV X op 28 oktober 2009 ook daadwerkelijk over aan de ontvanger. De ontvanger betaalde dat bedrag van € 20.085 op 9 december 2009 echter terug aan BV X, omdat hij de betaling abusievelijk aan de nihilaangifte had gekoppeld. Toen de ontvanger zich dit realiseerde, stelde hij een vordering wegens onverschuldigde betaling in tegen BV X. Rechtbank Rotterdam besliste dat de inspecteur in deze situatie had moeten naheffen en wees de vordering af. Hof Den Haag besliste op het hoger beroep van de ontvanger anders. Naheffing op grond van artikel 20 AWR was mogelijk als de belasting die op aangifte behoorde te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet was betaald. Daarvan was in dit geval geen sprake. Door de aangifte van 13 oktober 2009 en de betaling van het daarop betrekking hebbende bedrag van € 20.085 op 28 oktober 2009 was de formele belastingschuld ontstaan en voldaan. Daaraan deed de terugbetaling door de ontvanger van dit laatste bedrag niet af. Het enkele feit dat de ontvanger dit bedrag per vergissing en buiten de wil van BV X om had terugbetaald, betekende volgens het Hof niet dat BV X niet had betaald in de zin van artikel 20 AWR en voor een naheffingsaanslag was dan ook geen aanleiding. Het Hof wees de vordering op grond van onverschuldigde betaling toe en veroordeelde BV X tot betaling van € 20.085 aan de ontvanger.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.