Ambtshalve teruggegeven BTW niet meer na te heffen

Datum: 13 maart 2019

Rechtbank Haarlem besliste in een uitspraak van 5 oktober 2011 dat het leiden van koren door een dirigent onder het verlaagde BTW-tarief viel. Naar aanleiding daarvan maakte de toenmalige adviseur van dirigent X bezwaar tegen de voldane BTW over 2007 tot en met 31 juli 2011. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en verleende ook ambtshalve geen vermindering. In februari 2013 diende de nieuwe adviseur van X suppletieaangiften in over 2008 tot en met 2012. Naar aanleiding hiervan verleende de inspecteur teruggaven. Vervolgens stelde de inspecteur een boekenonderzoek in en legde naheffingsaanslagen met boeten op voor de volgens hem ten onrechte verleende teruggaven. Volgens de inspecteur gold op grond van het beleid van de Belastingdienst voor repetities het algemene BTW-tarief en voor uitvoeringen het verlaagde BTW-tarief. Door de uitspraak van Rechtbank Haarlem was volgens de inspecteur duidelijk geworden dat dirigenten ook voor repetities, als deze nauw samenhingen met en noodzakelijk waren voor uitvoeringen, in aanmerking kwamen voor het verlaagde tarief. X ging in beroep en stelde dat de uitspraak van Rechtbank Haarlem terugwerkende kracht had en hij dus ook over de betreffende tijdvakken het verlaagde tarief had mogen toepassen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van X gegrond. De inspecteur stelde hoger beroep in en X stelde incidenteel hoger beroep in omdat hij vond dat hij door onzorgvuldig handelen van de inspecteur recht had op een immateriële schadevergoeding (IMSV). Hof Den Bosch besliste dat de ambtshalve teruggegeven bedragen niet konden worden nageheven. X verkeerde namelijk na de verleende ambtshalve verminderingen in de positie dat het verlaagde tarief was voldaan, zodat geen sprake was van te weinig geheven belasting in de zin van artikel 20, lid 1, AWR. Het Hof verwierp de stelling van de inspecteur dat hij kon naheffen op basis van het Besluit ambtshalve verminderen of teruggeven (BAVT). Het hierin opgenomen beleid hield volgens de inspecteur in dat nieuwe jurisprudentie (jurisprudentie die was gewezen vanaf het moment dat een beschikking of voldoening op aangifte onherroepelijk vaststond) in beginsel geen reden was om ambtshalve teruggaven te verlenen. De in de BAVT opgenomen uitzondering op deze regel deed zich volgens de inspecteur niet voor. Het Hof besliste echter dat na de verleende teruggaven geen sprake was van een situatie waarin te weinig belasting was geheven. Anders dan de inspecteur stelde, creëerde het BAVT ook geen bevoegdheid tot naheffing van BTW die materieel niet was verschuldigd. Het Hof besliste verder dat de inspecteur voor X een rechtsingang had geopend door naheffingsaanslagen op te leggen met betrekking tot de ambtshalve teruggegeven bedragen. Het Hof was het niet met X eens dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld en wees zijn verzoek om een IMSV daarom af. Het Hof verklaarde zowel het hoger beroep van de inspecteur als het incidenteel hoger beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.