Strafrecht volgens Hof niet bedoeld voor goedwillende belastingschuldigen

Datum: 14 februari 2019

De strafkamer van Rechtbank Overijssel veroordeelde X tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een taakstraf van 100 uur omdat hij de loonheffing en BTW voor zijn bedrijf niet had betaald. X ging in hoger beroep en stelde dat artikel 67a AWR in zijn geval niet van toepassing was, omdat hij nog steeds van plan was de belastingschuld te betalen. Hof Arnhem-Leeuwarden besliste dat artikel 67a AWR een brede reikwijdte had, die in beginsel alle belastingschuldigen kon treffen die (tijdelijk) niet konden betalen. Niet strafbaar was volgens artikel 67a, lid 3, AWR degene die de ontvanger tijdig had verzocht uitstel van betaling te verlenen of die onverwijld nadat gebleken was dat het lichaam niet tot betaling in staat was schriftelijk mededeling had gedaan aan de ontvanger. De wetgever had daarmee willen waarborgen dat goedwillende belastingplichtigen niet werden getroffen. Volgens het Hof werd met goedwillende belastingschuldige bedoeld hij die terstond bereid was om opening van zaken te geven en die zich naar vermogen inzette om de schuld alsnog te voldoen. Uit het dossier bleek dat X in februari 2013 was opgehouden de belastingen te betalen. De Belastingdienst stuurde vervolgens aanmaningen en dwangbevelen, maar geen enkele keer volgt betaling. Dit leidde tot een invorderingsonderzoek op 20 oktober 2015. Volgens het Hof was de Belastingdienst tenminste vanaf de datum van het invorderingsonderzoek volledig op de hoogte van de betalingsonmacht, maar de ontvanger had X op geen enkel moment gewezen op zijn plicht om de betalingsonmacht te melden. Dit betekende volgens het Hof dat het handelen van X vanaf de datum van het invorderingsonderzoek niet meer strafbaar was. Daar waar noch bij de vennootschappen noch bij de aansprakelijke bestuurder middelen aanwezig waren om een belastingschuld te voldoen, zonder dat er sprake was (van een redelijk vermoeden) van een kwaadwillende belastingschuldige, had de wetgever beoogd uit te sluiten dat de belastingschuldige strafrechtelijk werd vervolgd. De strafbaarstelling van niet betalen was volgens het Hof niet bedoeld als dwangmiddel bij de invordering, maar was bedoeld om fraude te voorkomen en fraudeurs strafrechtelijk aan te pakken. Het Hof zag in het geval van X geen aanwijzingen dat er sprake was van kwaadwillendheid noch dat hij zichzelf had verrijkt. Het Hof vernietigde het vonnis van de Rechtbank en besloot geen strafmaatregelen op te leggen. De fiscale wetgeving bood volgens het Hof voldoende instrumentarium om belastingschuldigen zoals X aan te pakken.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.