Van participaties in filmfonds geen voordeel te verwachten, dus geen bron

Datum: 12 februari 2019

X nam vanaf 2013 met drie participaties van € 10.000 per stuk deel in een filmfonds dat tot doel had twee films te produceren. X nam de resultaten van de filmparticipaties in zijn IB-aangiften over 2013 tot en met 2017 op als winst uit onderneming voor respectievelijk € 51.600 negatief, € 8.637 positief, € 4.587 positief, € 309 positief en nihil. De inspecteur concludeerde na een onderzoek bij het filmfonds dat de participaties in het filmfonds voor de participanten geen bron van inkomen vormden. De inspecteur corrigeerde het door X in 2013 aangegeven verlies van € 51.600. X ging in beroep. Rechtbank Noord-Nederland besliste dat objectief bezien de potentiële fiscale voordelen leidend waren geweest bij de verwachting van een participant dat hij een positief rendement zou behalen. De objectieve voordeelsverwachting moest echter aannemelijk worden gemaakt zónder de fiscale faciliteiten. X wees op verschillende succesfilms van de productiemaatschappij van de beide films. De Rechtbank was het met X eens dat deze producenten daarmee een bewezen trackrecord hadden en dat daarmee ook de verwachting gerechtvaardigd was dat door hen kwalitatief hoogwaardige films met relatief hoge opbrengsten zouden kunnen worden geproduceerd, maar dat was onvoldoende om aan te nemen dat met de twee specifieke films van het filmfonds een box-officeopbrengst van (elk voor zich of per saldo) ten minste € 5 mln per film zou worden behaald. X had niet aannemelijk gemaakt dat objectief bezien redelijkerwijs te verwachten was dat met de participaties een voordeel kon worden behaald. De participaties in het filmfonds vormden voor X geen bron van inkomen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.