Fraude van € 19,5 mln door belastingambtenaar wel navorderbaar

Datum: 8 februari 2019

Op 17 juni 2014 was op de bankrekening van BV X onder vermelding van "teruggaaf" € 19.500.000 bijgeschreven, afkomstig van de Belastingdienst. Aan deze betaling lag ten grondslag een ambtshalve, op de voet van artikel 65 AWR genomen beschikking van 14 juni 2014. Deze ten name van BV X genomen beschikking vermeldde een terug te geven bedrag van € 19.500.000 aan dividendbelasting. De beschikking was frauduleus opgemaakt door belastingambtenaar G. G was van 1 september 1979 tot 12 september 2014 gemandateerd om de bevoegdheden van inspecteur uit te oefenen. De inspecteur legde op 27 september 2014 een navorderingsaanslag Vpb op van € 19.500.000 met € 1.360.693 aan belastingrente. BV X ging in beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden besliste dat de inspecteur de navorderingsaanslag niet had mogen opleggen. De ambtshalve genomen beschikking van 14 juni 2014 was ongeldig en moest volgens het Hof worden aangemerkt als non-existent. De Hoge Raad heeft op het beroep in cassatie van de staatssecretaris echter beslist dat de ambtshalve genomen beschikking houdende teruggaaf van dividendbelasting een beslissing was die binnen de grenzen van een mandaat viel zoals dat aan G was verleend, ook al was de gemandateerde bevoegdheid frauduleus uitgeoefend. Het Hof had daarom ten onrechte beslist dat in deze procedure over de navorderingsaanslag aan het bestaan van die beschikking moest worden voorbijgegaan. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de staatssecretaris gegrond en dat van BV X ongegrond. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Den Bosch voor een onderzoek naar de door BV X bij Hof Arnhem-Leeuwarden ingenomen standpunten die nog niet waren beoordeeld.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.