Landbouwmaatschap van 92-jarige met haar kinderen geen schijnhandeling

Datum: 7 februari 2019

De op 1 maart 1918 geboren X had twee zoons (B en C) en een dochter (D). Zij verpachtte sinds 1975 57 hectare landbouwgrond en bedrijfsgebouwen aan C, die in een eenmanszaak een akkerbouwbedrijf exploiteerde. De pachtovereenkomst werd per 1 mei 2010 ontbonden en per die datum gingen de moeder en haar drie kinderen een maatschap aan op grond waarvan zij het akkerbouwbedrijf voor gezamenlijke rekening en risico exploiteerden. X bracht daarbij het gebruik en genot van de landerijen en de bedrijfsgebouwen in de maatschap in. De inspecteur vond het aangaan van de maatschap een schijnhandeling. Volgens de inspecteur moest de toetreding van X tot de maatschap worden genegeerd waardoor de onroerende zaken tot haar box III-vermogen moesten worden gerekend en niet tot haar ondernemingsvermogen. X en zoon C gingen in beroep tegen de aan hen opgelegde navorderingsaanslagen IB over 2011 en 2012. Volgens Rechtbank Noord-Nederland was het niet aannemelijk dat de rechtshandelingen (waaronder het aangaan van de maatschap en de inbreng van het gebruik en genot van de onroerende zaken) niet strookten met de werkelijke bedoeling van de maten. Die was juist gericht op het aangaan van de maatschap met alle gevolgen (waaronder fiscale) van dien. Dat betekende dat zich niet de situatie voordeed dat de maten (in weerwil van de gepresenteerde maatschapsovereenkomst) geen rechtshandelingen waren aangegaan, dan wel dat zij in werkelijkheid andere rechtshandelingen waren aangegaan dan zij volgens de maatschapsovereenkomst hadden gepresenteerd. Dat in de toekomst mogelijk gebruik zou worden gemaakt van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de schenk- en/of erfbelasting leidde er niet toe dat de wil van X en C (uitsluitend) was gericht op het behalen van (incidenteel) fiscaal voordeel. De Rechtbank besliste dat deze faciliteiten onlosmakelijk verbonden waren met het fiscaal ondernemerschap voor de IB. Verder wees de Rechtbank de inspecteur erop dat de gevolgen van de betreffende rechtshandelingen permanent waren en niet slechts incidenteel. Het aangaan van de maatschap door X en C was geen schijnhandeling die moest worden genegeerd. De Rechtbank verklaarde de beroepen van X en van C gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.