Geen schuldsanering voor ex-ondernemer met verwijtbare belastingschuld

Datum: 6 februari 2019

Nadat een minnelijk traject was mislukt omdat niet alle schuldeisers wilden instemmen, diende voormalig ondernemer X bij de civiele rechter een verzoek in om de schuldsaneringsregeling. Zijn schuldenlast bedroeg ruim € 560.000, waaronder een preferente belastingschuld van € 283.608. Rechtbank Zeeland-West-Brabant wees het verzoek af, omdat X niet aannemelijk had gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden aan de Belastingdienst te goeder trouw was geweest. De omvang van de vordering van de Belastingdienst vormde een substantieel deel van de schuldenlast. Van de totale vordering van de Belastingdienst zag € 231.672 op naheffingsaanslagen BTW vanwege het niet (tijdig) voldoen aan de aangifte- of afdrachtplicht. De Rechtbank vond deze vordering verwijtbaar, aangezien dit algemeen erkende verplichtingen waren voor een ondernemer. Ook een openstaande vordering voor een aanslag IB achtte de Rechtbank verwijtbaar omdat X had kunnen weten dat hij die belasting verschuldigd was. X ging tevergeefs in hoger beroep. Hof Den Bosch verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het hogerberoepschrift een dag te laat was ingediend. Ten overvloede besliste het Hof dat X ook niet zou zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling als het hoger beroep wel ontvankelijk zou zijn geweest. Een belastingschuld die was ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens moest naar zijn aard worden aangemerkt als een schuld die niet te goeder trouw was ontstaan. Daar kwam bij dat X in het geheel geen jaarstukken van de onderneming had overgelegd. Er was dan ook onvoldoende inzicht gegeven in het ontstaan van de zakelijke schulden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.