Vrijspraak voor valse facturen onthief fiscus niet van opleggen naheffing LB

Datum: 6 februari 2019

Ondernemer X dreef sinds 2008 een stukadoorsbedrijf. In 2010 was vof Y opgericht. De vennoten waren vijf Bulgaarse stukadoors die op één na, ook vóór de oprichting van de vof al voor X werkte. Na een fraudeonderzoek werd X strafrechtelijk vervolgd voor het valselijk opmaken van facturen en legde de inspecteur een naheffingsaanslag loonheffingen op over 2010 tot en met 2013 omdat de Bulgaren volgens hem in dienst waren van X. De strafkamer van Rechtbank Gelderland sprak X in 2016 vrij en de Officier van Justitie trok het hoger beroep tegen dit vonnis in. X ging in beroep tegen de naheffingsaanslag en stelde primair dat die in strijd met de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM was opgelegd en subsidiair dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Rechtbank Gelderland verwees naar arresten van de Hoge Raad en besliste dat de belastingrechter niet was gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegenover de belanghebbende gevoerde (onherroepelijk geworden) strafzaak voor hetzelfde feitencomplex, noch aan de beslissing van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter moest zich zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil vormen. Wel moest de belastingrechter op grond van het beginsel van onschuldpresumptie rekening houden met de feiten die waren vastgesteld in de strafrechtelijke procedure die tot een vrijspraak hadden geleid. De Rechtbank besliste dat X niet aannemelijk had gemaakt dat er een voldoende verband was tussen de strafzaak van X en deze fiscale procedure. In het strafvonnis was beslist dat het verwijt dat X te weinig loonheffingen had ingehouden en afgedragen een ander verwijt was dan het verwijt dat X werd gemaakt vanuit artikel 225 Sr. De Rechtbank zag geen reden hierover anders te beslissen. Dat X was vrijgesproken van het opmaken van valse facturen had dan ook niet tot gevolg dat de inspecteur de naheffingsaanslag niet mocht opleggen. Hieraan deed niet af dat aan deze beoordeling dezelfde onderzoeken ten grondslag lagen. Het vermoeden van onschuld van artikel 6, lid 2, EVRM gold volgens de Rechtbank niet in deze fiscale procedure. De Rechtbank besliste vervolgens dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een dienstbetrekking tussen X en de Bulgaarse stukadoors. X had de offertebesprekingen met opdrachtgevers gevoerd en alle contacten liepen via hem. Hij bepaalde door wie welke werkzaamheden op welk moment werden uitgevoerd en hield toezicht op de werkzaamheden. De Rechtbank besliste dat sprake was van een gezagsverhouding. Het was ook niet gebleken dat de Bulgaren zich zonder toestemming van X mochten laten vervangen. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.