Natuurlijk persoon kon niet in beroep tegen aan BV opgelegde parkeerbon

Datum: 21 januari 2019

Gemachtigde Y maakte bezwaar tegen de aan BV A opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. In het bezwaarformulier vermeldde Y echter niet BV A als belanghebbende maar de heer X. Er was geen machtigingsformulier bij het bezwaar gevoegd en dat werd ook niet verstrekt na een verzoek van de gemeente. De gemeente verklaarde daarop het bezwaar niet-ontvankelijk. Y ging vervolgens namens X in beroep en verstrekte dit keer wel een machtiging. Rechtbank Oost-Brabant besliste dat de gemeente X in de gelegenheid had gesteld het verzuim te herstellen maar X had hiervan geen gebruik gemaakt. Op grond van artikel 26a, lid 1, onderdeel a, AWR kon het beroep (en daarmee ook het bezwaar) tegen de naheffingsaanslag alleen worden ingesteld door of namens BV A. Dat was slechts anders als degene die beroep had ingesteld een eigen beroepsrecht had. Er was echter geen bezwaar door of namens BV A gemaakt en het was ook niet gebleken dat X een eigen beroepsrecht tegen de naheffingsaanslag had. Juist omdat de naheffingsaanslag was opgelegd aan BV A, vond de Rechtbank het niet onnodig dat de gemeente om een machtiging had gevraagd waaruit bleek dat namens BV A werd opgetreden. Als X meende dat hij op persoonlijke titel tegen de naheffingsaanslag kon opkomen, had hij dat in elk geval moeten stellen. Omdat hij dat niet had gedaan, had de gemeente het bezwaar volgens de Rechtbank terecht als kennelijk niet-ontvankelijk aangemerkt. De Rechtbank verklaarde het beroep van X niet-ontvankelijk.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.