Vermogen van stichting niet toe te rekenen aan bestuurder

Datum: 8 januari 2019

Y richtte in 1993 stichting Z op, die als doel had het bevorderen van onderwijs in de moderne talen. De bestuurders van Z waren Y en haar zoon X. Na het overlijden van Y in 2013 waren X en zijn zoon plus twee andere personen bestuurder (geweest). Vanaf de oprichting had Z vier panden gekocht die zij verhuurde. X huurde een van deze panden. De inspecteur stelde dat het vermogen van Z dat per 1 januari 2012 € 773.841 bedroeg, aan X moest worden toegerekend, op grond van het leerstuk van fiscale transparantie of op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001. X ging in beroep. Hof Den Haag was het met Rechtbank Den Haag eens dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat X feitelijk de beschikkingsmacht had over het vermogen van Z als ware het zijn eigen vermogen. Het enkele feit dat sinds de oprichting van Z de meerderheid van het bestuur een familierelatie met elkaar had, bracht op zichzelf niet mee dat het bestuur niet onafhankelijk was. De inspecteur had niet aannemelijk gemaakt dat de samenstelling van het bestuur tot gevolg had gehad dat X vrijelijk over de in Z aanwezige inkomens- en vermogensbestanddelen kon beschikken. Het vermogen van Z kon niet op grond van de fiscale transparantie tot het inkomen van box III van X worden gerekend. De inspecteur had volgens het Hof ook niet aannemelijk gemaakt dat het vermogen van Z op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001 aan X moest worden toegerekend. Daarvoor moest sprake zijn van een afgezonderd vermogen (APV) waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang werd beoogd. De inspecteur had dit meer dan bijkomstige particuliere belang niet aannemelijk gemaakt en ook was niet voldaan het vereiste dat X vermogensbestanddelen in Z had ingebracht. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 21-06-2019