Inspecteur treuzelde niet met opleggen naheffingsaanslagen: inlenersaansprakelijkheid gehandhaafd

Datum: 6 december 2018

BV X exploiteerde een uitzendbureau waarbij technische uitzendkrachten werden uitgeleend aan afnemers in de infrastructuur en metaalbedrijven. BV X leende in de jaren 2007 tot en met 2011 medewerkers in van diverse BV’s. Na controles stelde de ontvanger BV X inlenersaansprakelijk voor de door die BV’s onbetaald gelaten BTW en loonheffingen. BV X ging in beroep en stelde dat de ontvanger en de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel hadden geschonden door niet samen te werken en de inspecteur de naheffingsaanslagen veel eerder al aan de BV’s had moeten opleggen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat de ontvanger niet kon worden aangerekend dat de inspecteur eerder naheffingsaanslagen had kunnen opleggen. BV X ging in hoger beroep, maar Hof Den Bosch verklaarde dat ongegrond. Een onzorgvuldig handelen van de inspecteur bij de aanslagoplegging leidde volgens het Hof in beginsel niet tot vernietiging van de belastingaanslag, aangezien de belastingschuld voortvloeide uit de wet, maar een onzorgvuldig handelen van de inspecteur kon in uitzonderlijke gevallen wel van invloed zijn op een aansprakelijkstelling. Dat was bijvoorbeeld het geval als de inspecteur, in de wetenschap dat naast de belastingschuldige een (hoofdelijk) aansprakelijk te stellen (rechts)persoon met ruim voldoende verhaalsmogelijkheid stond, opzettelijk of ernstig verwijtbaar talmde met de aanslagoplegging omdat de belastingschuld in elk geval geïnd zou kunnen worden bij de aansprakelijk te stellen (rechts)persoon. Van onzorgvuldig handelen in deze betekenis was volgens het Hof in dit geval geen sprake. De naheffingsaanslagen waren vastgesteld binnen de wettelijke termijnen en verder kon ook niet worden gezegd dat de inspecteur zijn taken niet zorgvuldig had uitgeoefend.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.