Schenking van aandelen in BV met aanzienlijke vastgoedportefeuille niet vrijgesteld

Datum: 4 december 2018

BV G hield zich bezig met de verhuur van vastgoed. Zij verhuurde ongeveer 1.100 garageboxen en 57 bedrijfsruimten in 11 plaatsen in Oost-Nederland. De geschatte waarde van het vastgoed was € 10 mln. Alle aandelen BV G waren in handen van X en zijn echtgenote Y, die beiden op de loonlijst van BV G stonden, net als hun dochters (E en F). Dochter F werkte ook nog voor 20 uur per week bij BV H, waar zij zich bezighield met het beheren van de vastgoedportefeuille van BV G. Bij notariële akte schonk X in 2016 aan ieder van zijn twee dochters aandelen BV G ter waarde van € 61.143. Met betrekking tot deze schenking claimden de dochters de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) van artikel 35b SW. De inspecteur wees de toepassing van de BOF af. Rechtbank Gelderland was het met de inspecteur eens dat de BOF niet aan de orde was omdat BV G geen materiële onderneming dreef als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001. De Rechtbank verwees naar haar op dezelfde dag gewezen uitspraak met betrekking tot een verzoek om geruisloze terugkeer waarin de Rechtbank had beslist dat BV G op 1 januari 2015 geen materiële onderneming dreef en besliste vervolgens dat de dochters niets naar voren hadden gebracht om tot een andere beslissing te komen met betrekking tot de activiteiten van BV G ten tijde van de schenking. De Rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.