Winstgrens subjectieve Vpb-plicht vereniging niet naar rato

Datum: 8 november 2018

De in 2010 opgerichte beroepsvereniging X verrichtte zowel belaste als onbelaste activiteiten voor de Vpb. In 2010 bedroeg haar belastbare winst € 9.884, in 2011 € 28.433 en in 2012 € 31.414. De inspecteur legde een navorderingsaanslag Vpb 2012 op, omdat de vrijstelling van artikel 6 Wet Vpb volgens hem niet van toepassing was. Hij leidde uit een besluit van 19 september 2018 af dat niet was voldaan aan de voorwaarden van de tweede winstgrens in artikel 6, lid 1, Wet Vpb, omdat X nog geen vijf jaren bestond. Een redelijke wetstoepassing bracht volgens het besluit mee dat het winstplafond van € 75.000 werd herrekend naar rato van het aantal jaren dat de vereniging daadwerkelijk bestond. Omdat de X drie jaar bestond, bedroeg het winstplafond € 45.000. X ging met succes in beroep. Rechtbank Gelderland besliste dat zowel de tekst van de wet als de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten boden om de tweede winstgrens in artikel 6, lid 1, Wet Vpb naar rato toe te passen. Het toepassen van de winstgrens van € 75.000 als een absolute grens, ook als een vereniging nog geen vijf jaar bestond, was volgens de Rechtbank gelet op de tekst van de wet verdedigbaar en paste bovendien bij het doel om stichtingen en verenigingen met winsten van bijkomstige betekenis niet in de heffing te betrekken. Daarnaast zou het toepassen van een pro rata winstgrens kunnen leiden tot een concurrentieverstoring, bijvoorbeeld doordat in het derde jaar de pro rata winstgrens werd overschreden, maar de winst in het vierde jaar wel onder de pro rata winstgrens bleef. De winstgrens van € 75.000 moest volgens de Rechtbank daarom als absolute grens te worden toegepast. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond en vernietigde de navorderingsaanslag.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.