Verrekenbare bronbelasting op EU-dividenden niet meer dan 15%

Datum: 7 november 2018

X ontving in 2013 uit Duitsland, Frankrijk en Spanje in totaal € 123.381 aan dividend waarop € 33.994 aan buitenlandse bronbelasting was ingehouden. In zijn aangifte IB 2013 nam hij het volledige bedrag van € 33.994 in aanmerking als verrekenbare bronbelasting, maar de inspecteur hield maar rekening met € 18.507 ( € 123.381 x 15%). X had in Duitsland en Frankrijk om teruggaaf van ingehouden bronbelasting gevraagd en in totaal € 12.388 teruggekregen. X ging in beroep en stelde dat de verrekenbare buitenlandse bronbelasting € 33.884 bedroeg en dat hij € 12.388 aan Duitsland, Frankrijk en Spanje zou terugbetalen als hij in het gelijk werd gesteld. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van X ongegrond. X ging in hoger beroep. Hof Den Bosch besliste dat de belastingverdragen met Duitsland, Frankrijk en Spanje zo moesten worden uitgelegd dat de dividenden in het woonland (Nederland) mochten worden belast, en de staat waar het dividendbetalende lichaam was gevestigd (Duitsland, Frankrijk en Spanje: de bronstaten) een bronbelasting mochten heffen van maximaal 15% van het dividend. De verrekening door Nederland mocht volgens de verdragen in beginsel niet meer bedragen dan de door de bronstaten geheven belasting (de eerste limiet), maar er hoefde dan niet meer bronbelasting te worden verrekend dan het bedrag van de Nederlandse belasting dat met de netto buitenlandse opbrengst samenhing (de tweede limiet). In dit geval was volgens het Hof in geschil wat voor de toepassing van de eerste limiet moest worden verstaan onder "de geheven belasting". Volgens het Hof mochten de bronstaten 15% bronbelasting inhouden, maar in de praktijk hielden betalende lichamen bronbelasting in naar het (veel hogere) nationale tarief, wat volgens het Hof begrijpelijk was omdat zij niet wisten wie de ontvanger van het dividend was. Het Hof besliste dat "de geheven belasting" in de zin van de eerste limiet de belasting was die de bronstaten op grond van het belastingverdrag mochten heffen en dat was in het geval van X de 15% bronbelasting die de inspecteur had verrekend. Op basis van de belastingverdragen met Duitsland, Frankrijk en Spanje was het gelijk dus aan de inspecteur. Het Hof verwierp vervolgens de stelling van X dat van de zijde van Nederland sprake zou zijn van een schending van het vrije kapitaalverkeer. Het Hof verwierp ook zijn stelling dat de Nederlandse staat contractbreuk had gepleegd, daarmee wanprestatie had gepleegd en uit hoofde daarvan schadeplichtig was geworden richting Volgens het Hof was ook geen sprake van schending van het discriminatieverbod zoals opgenomen in de artikelen 21 Handvest en 14 EVRM en in Protocol 12 EVRM, omdat ingezetenen van Nederland die dividend genoten gelijk werden behandeld. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.