Niet verplichte agiostorting behoorde tot box III-vermogen

Datum: 6 november 2018

X richtte op 31 december 2012 BV A op en stortte € 1,5 mln op een derdenrekening van de notaris. Op 21 januari 2013 werd eenzelfde bedrag gestort vanaf de derdenrekening op de bankrekening van BV A met als vermelding "Agiostorting inzake oprichting". In 2013 overleed X. De inspecteur corrigeerde de door de erfgenamen ingediende aangifte IB 2013 en verhoogde de rendementsgrondslag van box III met € 1.861.579, bestaande uit de agiostorting, de waarde van de door X verpachte landbouwgrond en liquide middelen. De erven X gingen in beroep en stelden dat de agiostorting door BV A was gebruikt voor de aankoop van grond, toeslagrechten, machines en inventaris en als werkkapitaal. Verder stelden zij dat X op 28 december 2012 een overeenkomst had gesloten met BV A i.o. waarbij hij de landbouwgrond ter beschikking had gesteld aan BV A i.o. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van de erven X gegrond. Alleen de liquide middelen waren terecht tot het box III-vermogen gerekend. De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Den Bosch was het met de Rechtbank eens dat de landbouwgrond op 1 januari 2013 tot het resultaat uit overige werkzaamheden behoorde, en niet tot de rendementsgrondslag van box III kon worden gerekend. De agiostorting van € 1,6 mln behoorde volgens het Hof wel tot de rendementsgrondslag van box III. De inspecteur had aannemelijk gemaakt dat X op 31 december 2012 niet tot storting van dat bedrag verplicht was. Van een agiostorting bleek niets uit de oprichtingsakte en de statuten van BV A. Het enkel overmaken van het bedrag op de derdenrekening van de notaris betekende niet dat het bedrag het vermogen van X had verlaten. Ook de liquide middelen behoorden tot de rendementsgrondslag, omdat deze niet ter beschikking waren gesteld aan BV A. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.