Appartementen in B&B aangemerkt als woning: geen willekeurige afschrijving

Datum: 11 oktober 2018

X en zijn echtgenote Y hadden samen CV C opgericht waarin X beherend vennoot was en Y commanditair vennoot. De activiteiten van de CV bestonden uit het verhuren van vijf vakantiewoningen in Frankrijk, de exploitatie van drie appartementen als B&B, het schrijven van boeken over toerisme en de streken waar de vakantiewoningen en de B&B waren gelegen, en het maken van kunst. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde de beroepen van X en Y tegen aan hen opgelegde aanslagen IB 2012 en 2013 gegrond. De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Den Bosch besliste dat Y niet aannemelijk had gemaakt dat zij in de betreffende jaren meer dan 1.225 uur had besteed aan werkzaamheden voor CV C. De inspecteur had terecht de geclaimde zelfstandigenaftrek voor beide jaren geweigerd. Het Hof besliste in de zaak van X dat de appartementen in de B&B als woonhuis in de zin van artikel 3.45 Wet IB 2001 kwalificeerden zodat hierop niet willekeurig kon worden afgeschreven. De appartementen beschikten over een eigen woonkamer, keuken, badkamer en slaapkamer, die van alle gemakken waren voorzien en waarin voorzieningen (ruimschoots) aanwezig waren. De appartementen waren daarom bestemd om als woning te worden gebruikt. Dat het aanbieden van luxe appartementen een algemene ontwikkeling in de hotelbranche was, nam niet weg dat het ter beschikking stellen van opstallen die naar aard en inrichting als woning werden aangemerkt en die aan derden ter beschikking werden gesteld, ook bestemd konden zijn om als woning te worden gebruikt. Daaraan deed niet af dat de bewoning van een appartement in een B&B over het algemeen slechts tijdelijk van aard was en dat de appartementen voor andere doeleinden niet kwalificeerden als woning. Het Hof verklaarde de hoger beroepen van de inspecteur gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.