Informatiebeschikkingen UBS’er ongeoorloofd drukmiddel

Datum: 9 oktober 2018

X had bankrekeningen aangehouden bij de HSBC- en de UBS-Bank in Zwitserland. In 2007 was het saldo van de bankrekening bij HSBC-Bank overgeboekt naar de bankrekening bij UBS en bedroeg het aanvangssaldo bij UBS in dat jaar € 695.900. X had de buitenlandse bankrekening(en) niet vermeld in haar aangiften IB over 2003 tot en met 2007. In 2014 deed zij een inkeermelding bij de inspecteur. X berekende de door haar verschuldigde IB over de afgelopen 12 jaar op € 153.179 en onderbouwde die berekening met diverse stukken van HSBC en UBS. Verder liet zij de inspecteur weten geen aanvullende informatie te kunnen geven over de aanvangswaarde van het bedrag op de buitenlandse bankrekening van € 695.000. X werd intussen strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld voor witwassen, waartegen zij in hoger beroep was gegaan. De inspecteur vroeg X in september 2015 opnieuw naar de herkomst van de betreffende € 695.000 en stelde dat het gezien het inkomen van X onmogelijk was dat zij dit bedrag had gespaard. De inspecteur vond het niet onaannemelijk dat het bedrag afkomstig was uit de opbrengst van de coffeeshop van de partner van X. Tegelijkertijd stelde de inspecteur informatiebeschikkingen vast voor de jaren 2003 tot en met 2007 met voor elk van die jaren het verzoek om te verklaren waar het betreffende bedrag vandaan kwam en door wie en in welke jaren dit was verdiend. X ging in beroep. Rechtbank Gelderland verwierp de stelling van X dat artikel 47 en artikel 52a AWR niet van toepassing waren door inkeer op grond van artikel 67n AWR. De Rechtbank was het wel met X eens dat de inspecteur met het nemen van de informatiebeschikkingen de grenzen van de redelijkheid had overschreden. De inspecteur had niet weersproken dat de informatiebeschikkingen waren opgelegd als drukmiddel. De Rechtbank vond dit ook niet onaannemelijk omdat de inspecteur in zijn toelichting bij de informatiebeschikkingen had verwezen naar de mogelijkheid dat het vermogen afkomstig was uit de coffeeshop van haar partner. Dit betrof een mogelijk heffingsbelang bij de partner van X, maar niet ten aanzien van haarzelf. Bovendien was omkering en verzwaring van de bewijslast al aan de orde vanwege het niet-doen van de vereiste aangifte. De Rechtbank vernietigde de informatiebeschikkingen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 14-12-2018