Zelfstandigenaftrek voor stoffeerder op leeftijd met liefde voor zijn werk

Datum: 14 september 2018

Meubelstoffeerder X ontving navorderingsaanslagen IB over 2012, 2013 en 2014 omdat hij volgens de inspecteur niet aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek had voldaan. X had in 2012 een omzet inclusief BTW behaald van € 13.668, in 2013 van € 11.428 en in 2014 van € 12.150. X ging in beroep. Rechtbank Gelderland verklaarde zijn beroep ongegrond, maar Hof Arnhem-Leeuwarden dacht daar anders over. De uren besteed aan het bezoeken van (potentiĆ«le) klanten, het doen van inkopen, het opruimen van de werkplaats, het voeren van de administratie, de acquisitie, onderhoud aan materiaal telden mee voor het urencriterium. Voor het aan deze werkzaamheden toe te rekenen aantal uren kon volgens het Hof worden uitgegaan van een aantal objectieve gegevens zoals het aantal klanten per jaar en de daaruit behaalde omzet. Deze gegevens hadden betrekking op stofferingsopdrachten en waren de directe uren die X had besteed aan zijn onderneming. Het Hof geloofde X dat hij ongeveer zes uur per dag bezig was in zijn werkplaats. In de weekenden werkte hij regelmatig in de werkplaats en hij ging nooit op vakantie. Het feitelijk gehanteerde uurtarief per opdracht ( € 17,50 per uur in 2012, € 14,85 per uur in 2013 en € 11,90 per uur in 2014) was laag ten opzichte van branchegegevens maar X oefende volgens het Hof een bijzonder bewerkelijk ambacht uit en de opdrachten kostten hem veel meer tijd dan vroeger omdat hij inmiddels op leeftijd was. Verder had hij de tijd om de opdrachten goed en zorgvuldig uit te voeren en beleefde hij nog steeds veel plezier aan zijn werk. Dat zijn inkomsten ten opzichte van de bestede tijd vanuit commercieel oogpunt afweken van die van een gemiddelde of hedendaagse meubelstoffeerder realiseerde X zich maar dit verschil nam hij voor lief, ook door het plezier dat hij beleefde aan zijn werk. Het Hof besliste dat X aannemelijk had gemaakt dat X minimaal 40 weken per jaar vijf dagen per week en zes uur per dag, dus 1.200 directe uren per kalenderjaar aan zijn onderneming had besteed. Daarnaast had hij klantenbezoeken, moest hij de inkopen doen, de werkplaats opruimen en had hij minimaal 25 uren aan acquisitie, onderhoud materiaal en administratie besteed. Het Hof besliste dat X aannemelijk had gemaakt dat hij meer dan 1.225 uren aan zijn onderneming had besteed en dus aan het urencriterium had voldaan. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.