Ontvanger bewees overschrijding van buitengrens door bestuurder niet

Datum: 13 september 2018

X was bestuurder van BV A en enig aandeelhouder van BV C en BV D. BV D was de enig aandeelhouder van BV A en BV B. BV A leende arbeidskrachten uit aan onder andere BV E en BV F. Eind 2014 had BV A een vordering op BV E van € 109.866 en op BV F van € 84.297. De vorderingen waren ontstaan door uitlening van arbeidskrachten. BV E was tot 17 oktober 2014 facturen blijven betalen. BV F en BV E waren op 9 april 2014 respectievelijk 21 oktober 2014 failliet verklaard. X had in 2015 € 5.585 in rekening courant (r/c) onttrokken aan BV A. Zijn r/c-schuld aan BV A bedroeg ultimo 2014 € 153.596. Op 14 februari 2014 en 27 augustus 2014 meldde BV A betalingsonmacht van naheffingsaanslagen BTW en LB. Op 9 december 2016 stelde de ontvanger X aansprakelijk voor € 153.418 voor de door BV A onbetaald gelaten BTW en LB. X ging in beroep. Rechtbank Noord-Nederland stelde vast dat BV E tot aan haar faillissement facturen van BV A was blijven betalen, waarbij steeds werd afgeboekt op de oudst openstaande posten. De ontvanger had volgens de Rechtbank ook niet aannemelijk gemaakt dat er crediteuren waren betaald ten nadele van de ontvanger. De Rechtbank verwierp ook de stelling van de ontvanger dat X de r/c-schuld aan BV A had moeten aflossen in plaats van meer privé-opnamen te doen. De ontvanger had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat X daartoe, medio juli 2014, in staat was. Daarnaast was een onttrekking van € 5.585 te marginaal voor de conclusie dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dat gold ook voor het verwijt dat de totale r/c vordering op X niet was geïncasseerd. De ontvanger had volgens de Rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat X in staat was om te betalen. Volgens de Rechtbank waren er onvoldoende aanknopingspunten voor een zodanig ernstig persoonlijk verwijt als kennelijk onbehoorlijk bestuur van X. De Rechtbank verwees hiervoor naar een arrest van 31 maart 2017 waarin de Hoge Raad had beslist dat het de toets was of "geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden gehandeld zou hebben zoals X had gedaan" en dat niet was beslist dat de toets in dit verband was "wat een redelijk denkend bestuurder zou hebben gedaan". Pas als die buitengrens was overschreden, was sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond en vernietigde de aansprakelijkstelling.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.