Klarinettist met veel opdrachtgevers geen ondernemer maar ROW-genieter

Datum: 10 augustus 2018

X was afgestudeerd klarinettist. Hij was klarinetdocent, dirigent en ensembleleider bij A. Hij was ook als hoofdvakdocent basklarinet en docent methodiek verbonden aan hogeschool B en hij was als musicus betrokken bij Ensemble C en als remplaçant bij orkest D. In dat jaar ontving hij van A een brutovergoeding van € 20.750, van B een totale brutovergoeding van € 35.550 en van C en D respectievelijk € 3.556 en € 2.338. Op die vergoedingen waren loonheffingen ingehouden. Vanaf 1 januari 2013 was X artistiek leider van een in stichting E ondergebrachte organisatie waarin een team van specialisten een muziekmethode ontwikkelde om het muziekonderwijs in Nederland een nieuwe impuls te geven. X had in de loop der jaren voor zo’n € 60.000 in muziekinstrumenten geïnvesteerd. Hij had voor zijn werkzaamheden nooit een VAR aangevraagd. Tot en met 2012 had X de inkomsten in verband met zijn werkzaamheden voor A, B en D opgegeven als loon en de overige inkomsten verantwoord als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) onder aftrek van kosten. De aangiften waren die jaren steeds vastgesteld overeenkomstig de aangiften. In zijn aangifte IB 2013 vermeldde X alle inkomsten in verband met zijn werkzaamheden als winst uit onderneming (WUO). Daarbij trok hij € 8.670 aan kosten af. De inspecteur merkte alle inkomsten van X aan als loon en hield geen rekening met de door hem opgevoerde bedrijfslasten en liet de ondernemersfaciliteiten buiten toepassing. X ging in beroep. Rechtbank Noord-Holland besliste dat de inkomsten uit de werkzaamheden ten behoeve van C en D als ROW en de inkomsten uit de werkzaamheden ten behoeve van A, B en E als loon uit dienstbetrekking moesten worden aangemerkt omdat bij deze rechtsverhoudingen sprake was van loon, arbeid en gezag. X had recht op vakantiegeld, recht op doorbetaling van loon bij ziekte, moest instructies volgen en op de aangewezen of afgesproken uren aanwezig zijn. Aangezien geen sprake was van WUO, had X geen recht op de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Met betrekking tot de door X geclaimde kostenaftrek besliste de Rechtbank dat X niet aannemelijk had gemaakt dat alle geclaimde kosten daadwerkelijk waren gemaakt ten behoeve van de werkzaamheden voor C en D. Omdat een uitsplitsing van de geclaimde kosten ontbrak en gelet op de relatief geringe omvang van deze werkzaamheden sloot de Rechtbank aan bij het nadere standpunt van de inspecteur om een kostenaftrek in aanmerking te nemen van € 2.791.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 14-12-2018