Achtergestelde lening verkochte deelneming af te waarderen met € 100.000

Datum: 9 augustus 2018

BV X hield alle aandelen in BV B, die keramiekovens produceerde en verkocht aan particulieren, scholen en instellingen. BV X had in 2003 een rekening-courant-vordering (r/c-vordering) van € 356.561 op BV B, waarop een rente werd berekend van 4%. Op 23 december 2003 verkocht BV X de aandelen BV B aan BV C voor € 675.000. BV C financierde de koop van de aandelen bij een bank waarbij zij de bank een pandrecht op de aandelen verstrekte. BV X en de bank kwamen bij de verkoop van de aandelen BV B overeen dat de r/c-vordering van BV X op BV B werd omgezet in een achtergestelde lening met een rente van 6%. BV B loste tot 2008 niet af op de lening. Tussen 2008 en 2010 loste zij € 52.844 af en in alle jaren betaalde zij rente. BV X waardeerde in 2013 de lening af met € 203.717 tot op € 100.000 en claimde hiervoor aftrek in haar Vpb-aangifte 2013. De inspecteur weigerde de aftrek omdat volgens hem geen sprake was van een zakelijke lening. BV X ging in beroep. Rechtbank Noord-Holland verwierp de stelling van de inspecteur dat de vraag of sprake was van een onzakelijke lening, moest worden beoordeeld naar het moment van aangaan van de r/c-vordering, voorafgaand aan de omzetting van die vordering in een achtergestelde lening. Volgens de Rechtbank moest de vraag of sprake was van een onzakelijke lening worden beoordeeld naar de toestand per 23 december 2003 omdat op 23 december 2003 een nieuwe geldleningsovereenkomst was aangegaan, waarbij (nieuwe) voorwaarden schriftelijk waren vastgelegd en er sprake was van achterstelling van de vordering van BV X ten opzichte van de vordering van de bank op BV B. Daaraan deed niet af dat op dat moment al een r/c-vordering bestond en dat deze was omgezet in een geldlening. De Rechtbank stelde vast dat de achterstelling had plaatsgevonden op initiatief van de bank en dat de aankoop van de aandelen BV B door BV C mogelijk moest maken. Ook was BV C een niet-gelieerde partij en had BV X met de verkoop van de aandelen haar belang in BV B daarmee aan een derde overgedragen. Onder die omstandigheden kon volgens de Rechtbank niet worden gezegd dat BV X met de achtergestelde lening een risico had aanvaard met de bedoeling het belang van de met haar gelieerde vennootschap in de hoedanigheid van aandeelhouder te dienen. De inspecteur had volgens de Rechtbank niet bewezen dat vanaf het moment van aangaan van de lening sprake was van een onzakelijke lening. Ook had hij niet bewezen dat de lening later alsnog onzakelijk was geworden. De Rechtbank besliste dat eind 2013 een redelijke mate van zekerheid bestond dat de lening gedeeltelijk niet zou worden terugbetaald in verband met een oninbare vordering van BV B op BV C. Daarom was het aannemelijk dat als gevolg hiervan op dat moment ook duidelijk was dat de vordering van BV X op BV B gedeeltelijk oninbaar was. Goedkoopmansgebruik verhinderde daarom niet dat BV X haar vordering in 2013 had afgewaardeerd. De Rechtbank volgde noch de inspecteur noch BV X in de hoogte van de afwaardering en stelde die in goede justitie vast op € 100.000.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 14-12-2018