Door BV schuldig gebleven gebruikelijk loon belast bij DGA-echtpaar

Datum: 11 juli 2018

X en zijn echtgenote Y bezaten ieder 50% van de aandelen van BV A. In 2014 genoten zij ieder een gebruikelijk loon van € 47.922. Van het loon was € 12.390 niet in 2014 uitbetaald. BV A had in 2012 en 2013 een negatief resultaat geboekt van respectievelijk € 22.136 en € 2.211. In 2014 en 2015 waren de resultaten positief € 14.421 en € 18.483. Verder had BV A in 2014 een bedrag van € 100.466 aan vorderingen openstaan. X en Y stelden dat het loon van € 12.390 niet was genoten in de zin van artikel 3.146 Wet IB en dat zij de vordering op BV A in 2014 mochten afwaarderen. Over het niet uitbetaalde loon waren wel loonheffingen afgedragen. Volgens het echtpaar verkeerde BV A in zwaar weer, was BV A technisch failliet en hadden zij de BV kunnen redden door een pensioenuitkering en een erfenis. Hof Den Haag was het met Rechtbank Den Haag en de inspecteur eens dat het niet uitbetaalde loon van € 12.390 door X en Y aan BV A ter beschikking was gesteld onmiddellijk nadat het recht daarop was ontstaan. Het echtpaar had immers voor dit bedrag een direct opeisbare vordering op BV A gekregen. Het volledige bedrag van € 47.922 was dus in 2014 als loon genoten. Verder was bij BV A geen sprake van een structureel verliesgevende situatie zodat de vordering in 2014 – gelet op de bedrijfsresultaten, de openstaande vorderingen en het eigen vermogen – niet kon worden afgewaardeerd. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X en Y ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.