Strafvervolging voor niet-indienen suppletie niet mogelijk

Datum: 10 juli 2018

De strafkamer van Rechtbank Oost-Brabant besliste op 27 september 2016 dat een ondernemer niet strafrechtelijk kon worden vervolgd voor het niet-doen van een suppletieaangifte BTW voor jaren vóór 1 januari 2012 toen de meldingsplicht nog niet bestond. Wel veroordeelde de Rechtbank X voor het doen van onjuiste aangiften BTW. X ging in hoger beroep. De strafkamer van Hof Den Bosch besliste dat uit de parlementaire geschiedenis bij de invoering van de suppletieverplichting volgde dat de wetgever niet had (willen) voorzien in de mogelijkheid van een strafrechtelijke vervolging van overtreding van artikel 10a AWR jo. artikel 15 UVBG OB. Ook als dat wel het geval zou zijn geweest, moesten de artikelen 10a AWR en 15 UVBG OB wegens strijd met artikel 6 EVRM en artikel 48 EU-Handvest buiten toepassing blijven. Een verdachte kon volgens het Hof niet bij wet worden verplicht om uit eigener beweging de inspecteur op het spoor te brengen van een beboetbaar of strafbaar feit en zich aldus bloot te stellen aan een bestuursrechtelijke boete (van strafrechtelijk aard in de zin van art. 48 EU-Handvest) of strafvervolging. De suppletieplicht van de artikelen 10a AWR jo. 15 UVBG OB was volgens het Hof in strijd met het nemo-teneturbeginsel. Het Hof achtte wel bewezen dat X feitelijk leiding had gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften BTW. Het Hof veroordeelde X tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uur.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.