Overgangsrecht 30%-regeling volgens staatssecretaris juridisch niet noodzakelijk

Datum: 9 juli 2018

Het invoeren van overgangsrecht bij de voorgenomen verkorting van de looptijd van de 30%-regeling per 1 januari 2019 van acht naar vijf jaar zou gepaard gaan met een budgettaire derving van circa € 1,9 mld. Dit antwoordde de staatssecretaris op vragen uit de Tweede Kamer naar aanleiding van de kabinetsreactie op de evaluatie van de 30%-regeling. Het uitgangspunt is volgens de staatssecretaris ook dat wetswijzigingen onmiddellijke werking hebben en dus ook van toepassing zijn op bestaande gevallen. In uitzonderingssituaties kan afwijking van dit uitgangspunt nodig zijn. Het gaat daarbij om een afweging van de belangen van degenen die (mogelijk) worden geraakt door de nieuwe wetgeving tegen de belangen van andere inhoudingsplichtigen en belastingplichtigen die niet een dergelijke tegemoetkoming krijgen. De staatssecretaris kan zich voorstellen dat degenen die (mogelijk) geraakt worden door de voorgenomen wijziging liever een andere uitkomst hadden gezien, maar hij vindt overgangsrecht juridisch niet noodzakelijk. Ook is het volgens hem aan contractspartijen om bij het sluiten van langlopende overeenkomsten met de mogelijkheid van toekomstige wetswijziging rekening te houden. Verder antwoordde de staatssecretaris dat het uitzonderen van bepaalde loonbestanddelen tot afbakeningsproblematiek leidt, de regeling complexer en lastiger uitvoerbaar maakt en de administratieve lasten verhoogt. Voor een inperking van de 30%-regeling door het op de een of andere manier maximeren van de onbelaste vergoeding is niet gekozen. Voor het vestigingsklimaat lijkt het beter om te kiezen voor een optie waarbij de looptijd wordt beperkt, dan één waarbij een maximum (plafond) wordt aangebracht.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.