Geen vrijstelling ODB voor verkrijging o/g zonder schulden door ANBI

Datum: 13 juni 2018

Woningstichting X was een toegelaten instelling in de zin van de Woningwet en een ANBI. Op 19 juni 2014 sloot X met de gemeente Deventer een samenwerkingsovereenkomst voor de bouw van studentenhuisvesting. Op dezelfde dag sloot X een koopovereenkomst met Woningstichting Y die net als X een ANBI was. Daarbij kocht X van Y een aantal panden voor € 10,95 mln. X voldeed € 218.265 aan overdrachtsbelasting maar stelde vervolgens dat de verkrijging op grond van artikel 15, lid 1, letter h, WBR was vrijgesteld van overdrachtsbelasting. De inspecteur weigerde de vrijstelling omdat geen sprake was van taakoverdracht in de zin van artikel 5d, lid 1, onderdeel b, UVBT WBR en commerciële factoren hadden een rol gespeeld omdat de koopprijs hoger was dan de historische kostprijs minus afschrijvingen. Rechtbank Den Haag volgde het standpunt van de inspecteur. Uit een passage in de koopovereenkomst bleek dat Y schulden had die betrekking hadden op de overgedragen panden en dat X die schulden niet had overgenomen. Volgens de Rechtbank was alleen al hierom niet voldaan aan de voorwaarde dat alle activa en passiva die op de overgedragen taak betrekking hadden, aan X waren overgedragen. X ging in hoger beroep, maar ook Hof Den Haag besliste dat X geen recht had op de vrijstelling. Volgens het Hof volgde uit de tekst van zowel de uitspraak op bezwaar als van het hoorverslag dat de inspecteur en X vonden dat sprake was van een taakoverdracht, maar dat dit in het licht van de totale inhoud van beide stukken niet betekende dat sprake was van een taakoverdracht in de zin van de vrijstelling en daarom geen overdrachtsbelasting zou zijn verschuldigd. Volgens het Hof had X als in de materie zeer goed ingevoerde partij uit de stukken kunnen afleiden dat de verkrijgingen niet voldeden aan de bij een taakoverdracht als bedoeld in de vrijstelling gestelde voorwaarden. Het Hof was het ook niet eens met X dat bij de betreffende levering geen sprake was geweest van aan de toepassing van de vrijstelling in de weg staande commerciële factoren als bedoeld in artikel 5d, lid 1, onderdeel b, UVBT WBR. Volgens het Hof kon niet worden gezegd dat aan de toepassing van de vrijstelling niet de voorwaarde mocht worden verbonden dat geen koopsom hoger dan de historische kostprijs minus afschrijvingen werd bedongen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.