Boekwinst kledingzaak door te schuiven naar studioverhuur

Datum: 16 mei 2018

X zette in 2011 de staking van zijn kledingzaak in gang. In 2012 was de onderneming geheel gestaakt. Met de verkoop van het winkelpand behaalde X op 1 september 2011 een boekwinst van € 891.807 waarop hij de faciliteit van artikel 3.64 Wet IB (doorschuifregeling bij staking) toepaste. Op 1 augustus 2011 kocht X een pand met acht studio’s. Hij knapte de studio’s grotendeels zelf op en richtte ze in. Hij schakelde in 2012 twee bemiddelingsbureau’s in die de studio’s voor hem kortstondig verhuurde. De inspecteur stelde dat de exploitatie van de studio’s geen onderneming vormde omdat de activiteiten die bij actief normaal vermogensbeheer noodzakelijk waren niet te boven gingen en geen sprake was van winst uit onderneming. Hij belastte de boekwinst op het winkelpand. Rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van X hiertegen gegrond. De inspecteur stelde hoger beroep in. Hof Amsterdam besliste dat de in artikel 3.64 Wet IB vermelde termijn betrekking had op de periode waarin de vereiste herinvestering moest plaatsvinden. Dit was het jaar 2011, maar feiten en omstandigheden uit een later jaar of latere jaren konden ook licht werpen op de vraag of in 2011 sprake was van een onderneming. Het Hof vond het aannemelijk dat het voor X bij de start van de verhuur noodzakelijk was dat hij gebruikmaakte van verhuurbemiddelaars. Dat die bemiddelaars aanvullende diensten hadden verricht, betekende niet dat de werkzaamheden die X zelf verrichtte normaal vermogensbeheer niet te boven konden gaan. Het Hof geloofde X dat hij zelf het pand geschikt had gemaakt en zelf substantiële werkzaamheden had verricht op het gebied van dienstverlening aan de gasten en onderhoud had verricht aan het pand en het terrein. X woonde dicht bij het pand en was in de meeste gevallen aanwezig bij de sleuteloverdracht aan nieuwe huurders, voerde de supervisie uit en verrichtte schoonmaakwerkzaamheden, en haalde de bedden af en maakte ze weer op. Verder had X substantiële investeringen gedaan. Volgens het Hof was vanaf de aanvang van de exploitatie van de studio’s sprake van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, die in 2011 nog in de aanvangsfase verkeerde. X had volgens het Hof aannemelijk gemaakt dat hij had voldaan aan de in artikel 3.64 Wet IB opgenomen voorwaarde dat sprake was van een investering binnen 12 maanden na staking van de oude onderneming in een door X gedreven (nieuwe) onderneming. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-05-2018