Premiestorting na verkoop onderneming slechts deels aftrekbaar

Datum: 15 mei 2018

X verkocht op 31 december 2011 zijn onderneming. De koper maakte de koopsom van € 250.000 op verzoek van X over naar aan bankrekening van BV A, waarvan X directeur en enig aandeelhouder was. Op 29 juni 2012 stortte BV A € 100.000 op een rekening van verzekeringsmaatschappij NV Z in het kader van een door X afgesloten overeenkomst voor banksparen. X stortte zelf op die datum € 50.000, maar liet die storting later omzetten in een storting op een lijfrente. Dat gebeurde echter niet met de storting van BV A. De inspecteur accepteerde bij de aanslagregeling IB 2011 een aftrek van € 50.000 als premies voor lijfrente. X ging in beroep en stelde dat ook de storting van € 100.000 door BV A in aftrek moest worden toegelaten. Rechtbank Noord-Holland besliste dat niet in geschil was dat de betaling van € 100.000 door BV A was verricht uit hoofde van de overeenkomst "Banksparen " en ook niet dat de aanspraak van X uit hoofde van die overeenkomst niet kon worden aangemerkt als een lijfrente in de zin van artikel 1.7, lid 1, onderdeel a, Wet IB. Volgens de Rechtbank was daarom niet voldaan aan de vereisten die artikel 3.129 in verband met artikel 3.124 Wet IB stelde aan het in aanmerking nemen van uitgaven voor inkomensvoorzieningen in verband met de omzetting van stakingswinst in een lijfrente. Daaraan deed niet af dat (1) de uitgaven door BV A namens X waren verricht en op hem hadden gedrukt, (2) BV A geen bestaande lijfrenteverplichting aan NV Z had overgedragen en (3) noch X, noch BV A ooit een voornemen daartoe had gehad. Ook als veronderstellenderwijs werd uitgegaan van de juistheid van deze stellingen, deden zij niet eraan af dat de uitgaven niet konden worden aangemerkt als premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, lid 1, onderdeel a, Wet IB. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-05-2018