Koeriers-v.o.f. schijnconstructie: chauffeurs geen vennoot maar in dienst

Datum: 12 april 2018

V.o.f. X verrichtte koeriersdiensten en had ongeveer 60 vennoten. Vennoot A had de dagelijkse leiding en vennoot B beschikte over de vereiste vakbekwaamheid beroepsgoederenvervoer. De overige vennoten traden op als chauffeur. In 2007 ging de inspecteur akkoord met de kwalificatie van de chauffeurs als zelfstandig ondernemer. In maart 2013 kwam hij daarvan terug en liet weten dat X vanaf 1 april 2013 aangifte loonheffingen moest doen voor de chauffeurs. X ging daar niet mee akkoord en ontving uiteindelijk naheffingsaanslagen loonheffingen over 2013 en 2014. Zij ging daartegen in beroep. Rechtbank Den Haag besliste dat de vennoten niet alleen civielrechtelijk, maar ook fiscaalrechtelijk als vennoten moesten worden aangemerkt en geen (fictieve) dienstbetrekkingsverhouding hadden met X. De Rechtbank vernietigde de naheffingsaanslagen. De inspecteur ging met succes in hoger beroep. Hof Den Haag besliste dat niet werd voldaan aan de voor samenwerking in verband van een v.o.f. vereiste basis van een zekere mate van gelijkwaardigheid. De v.o.f. miste in relatie tot de chauffeurs realiteitsgehalte. Er was volgens het Hof sprake van een schijnconstructie, waarbij de chauffeurs steeds aan dezelfde derde ter beschikking werden gesteld om krachtens een door die derde aan X verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van die derde. De arbeidsverhouding tussen X en de chauffeurs moest volgens het Hof worden aangemerkt als een fictieve dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4, letter e, Wet LB, omdat de chauffeurs door tussenkomst van X arbeid hadden verricht ten behoeve van de betreffende derde. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.