Verkrijging van zendmasten niet vrijgesteld van overdrachtsbelasting

Datum: 13 maart 2018

BV X verkreeg in 2010 via een juridische splitsing de eigendom van 170 zendmasten van BV Y. De eigendom van de kabels, leidingen, antennes en schotels bleef achter bij BV Y. BV X ontving voor de verkrijging van de eigendom van de masten een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van ruim € 1,7 mln. Zij ging in beroep en claimde de netwerkvrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel y, WBR. Rechtbank Gelderland besliste echter dat de zendmasten geen deel uitmaakten van het elektronische communicatienetwerk, maar tot de bijbehorende faciliteiten behoorden. De zendmasten waren volgens de Rechtbank ook in goederenrechtelijke zin geen bestanddeel geworden van het net. Uit artikel 5:20, lid 1, BW vloeide als hoofdregel voort dat de eigenaar van de grond in beginsel eigenaar was van de gebouwen en werken (de zendmasten) die daarmee duurzaam waren verenigd. Een uitzondering gold voor de eigenaar van een net. Deze uitzondering gold volgens de Rechtbank echter niet voor zendmasten, omdat zendmasten op grond van de verkeersopvatting niet als bestanddeel van het net konden worden aangemerkt. Voor zendmasten waarvoor een recht van opstal was gevestigd gold op hoofdlijnen hetzelfde. Dat de zendmasten geen deel uitmaakten van het net volgde volgens de Rechtbank ook uit de omstandigheid dat de masten aan meerdere mobiele telecomoperatoren ter beschikking werden gesteld met ieder hun eigen net. De netwerkvrijstelling was niet van toepassing. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.